Pagina delen

Negen beleidskaders sociaal domein Zutphen

Het college van burgemeester & wethouders stelt voor :

de negen beleidskaders sociaal domein vast te stellen.

Inhoud

Inleiding/aanleiding

Op 1 januari 2015 is, naar alle waarschijnlijkheid,  de invoering van de drie decentralisaties in het sociaal domein een feit. Vanaf dat moment zijn de gemeente Zutphen en Lochem verantwoordelijk voor de uitvoering van de nieuwe Jeugdwet, Participatiewet en de overheveling van AWBZ taken naar de Wmo. Hiermee nemen de gemeenten taken over van het rijk en de provincie. De voorbereiding op de decentralisaties wordt uitgevoerd onder het programma Sociaal Domein.

In april 2013 heeft u de visie ‘Bouwen op de kracht van de lokale samenleving’ vastgesteld. Als stap naar de inrichting van de uitvoeringspraktijk, leggen we u nu de algemene beleidskaders voor. Met deze kaders geeft u richting aan de uitwerking van deze uitvoeringspraktijk.

De drie decentralisaties zijn meer dan het goed regelen van een aantal nieuwe taken (transitie). Met de drie decentralisaties willen we de vitale samenleving verder uitbouwen.

Binnen het sociaal domein zijn drie actoren actief: de burger(s), de professional(s) en de gemeente. Het gaat er steeds om welke belangen en verantwoordelijkheden iedere actor heeft en hoe zij met elkaar vorm kunnen geven aan de veranderende samenleving. De rollen en verhoudingen zullen gaan veranderen. De gemeente zal meer verantwoordelijkheden bij burgers en professionals laten. Ook de professionals zullen meer verantwoordelijkheden bij burgers laten. Het omzien naar elkaar zal een belangrijkere plek innemen.

In de bijgevoegde notitie beschrijven we uitgebreid hoe we de toekomst zien. En hoe de kaders ons daarbij gaan helpen. In dit raadsvoorstel vindt u de samenvatting van de notitie in de vorm van voorgestelde kaders met daarbij de bijbehorende uitgangspunten. Deze uitgangspunten geven een beeld, een inkleuring van de kaders. We vragen u de geformuleerde kaders vast te stellen, en hiermee de richting aan te geven voor ons om deze kaders verder uit te werken.

Kaders

Kader 1. De kanteling

In eerste aanleg zorgen mensen voor zichzelf en voor elkaar op basis van een sterke sociale infrastructuur. Lukt het niet om deze zorg met elkaar vorm te geven of beschikt een burger over een tekort aan zelfoplossend vermogen om dit te doen, dan kan een beroep worden gedaan op algemene oplossingen. Blijkt dat sprake is van een situatie, waarbij meer specialistische voorzieningen nodig zijn, dan komt de inzet van maatwerkoplossingen. 

Uitgangspunten:

  • De gemeente heeft de grootste verantwoordelijkheid voor burgers die zich het minst weten te redden en voor mensen die tijdelijk ondersteund moeten worden bij het herstel van hun zelfredzaamheid.
  • Onder algemene oplossingen verstaan we alle ondersteuning die gericht is op meer dan 1 individu. Algemene oplossingen kunnen, naast diensten van instellingen en overheid zoals sociaal raadsliedenwerk, ook diensten van bedrijven zijn, zoals bijvoorbeeld strijkservice bij de stomerij of boodschappenservice van de supermarkt.
  • We stimuleren en waarderen zelf- en samenredzaamheid door:
    • Burgerkracht/burgerinitiatieven te stimuleren, mogelijk te faciliteren en er ruimte aan te geven.
    • Het aanwezige sociale netwerk in te schakelen.
    • Ondersteuning te bieden aan mantelzorgers om hun mantelzorg op een gezonde manier te kunnen blijven verrichten. We noemen dit respijtzorg.
    • Goede informatie te bieden via telefoon en internet, waardoor mensen zelf tot een oplossing van hun vraag kunnen komen. De sociale kaart kan hierbij een rol spelen.
    • Zelf- en samenredzaamheid is geen verplichting.

Kader 2. Preventie en vroegsignalering

We investeren in vroegsignalering en preventie zo dicht mogelijk bij de burger.

Uitgangspunten

  • We investeren in preventie en vroegsignalering van problemen door het verbinden van professionals en burgers in wijken en kernen om zo de bouw van een sterke sociale infrastructuur te ondersteunen. Scholen, CJG, Het Plein/Zorgloket en gebiedsgerichte sociale teams spelen hierin ene belangrijke rol.
  • Het armoede- en minimabeleid dragen bij aan preventie en vroegsignalering.
  • Bij het lokale jeugdbeleid ligt het accent op preventie en vroegsignalering. Het CJG en het onderwijs spelen hier een essentiële rol in. We erkennen het belang van vroegsignalering bij 0-4 jarigen.
  • De relatie wonen en zorg is belangrijk, bijvoorbeeld het duurzaam leeftijdsbestendig bouwen.

Kader 3. Toegang

Een burger kan op verschillende plekken terecht als hij een vraag of signaal heeft: ondersteund door informatievoorziening via telefoon of internet kan iemand zelf komen tot een oplossing of rechtstreeks terecht bij een specifiek loket als Het Plein/Zorgloket of iemand kan zelf aankloppen bij een netwerk dat past bij zijn bezigheden, bijvoorbeeld school of een andere partner van het Centrum voor Jeugd en Gezin, buurthuis, huisarts, gebiedsgericht sociaal team etc. Verschillende ingangen blijven dus naast elkaar bestaan.

Uitgangspunten:

  • Naast plekken als de huisarts, wijkcentra, scholen zien we het Centrum voor Jeugd en Gezin, Het Plein/Zorgloket en gebiedsgerichte sociale teams als drie belangrijke hoofdpijlers waar vragen worden neergelegd.
  • Verbindingen tussen de verschillende ingangen en de drie hoofdpijlers moeten zorgen voor een op elkaar afgestemd netwerk van professionals.
  • Gebruikmakend van wat er nu is aan professionele netwerken gaan we meer gebiedsgericht werken en richten we gebiedsgerichte sociale teams verder in.
  • Gebiedsgerichte sociale teams richten we (verder) in op basis van het profiel van de kern of de wijk. Daartoe scannen we de gebieden regelmatig op aantallen cliënten, waarneembaar sociaal gedrag van burgers en actieve professionals. Teams kunnen zowel bestaan uit burgers zoals een pastoor of de voorzitter van een voetbalclub als uit professionals. Het is maar net wat nodig is en wat werkt. 
  • Blijkt dat een algemene oplossing of maatwerkoplossing nodig is, dan wordt de meest passende, minst belastende, goedkoopste en kortste vorm van ondersteuning of behandeling, die mogelijk is gezien de aard en de ernst van de problematiek aangeboden.
  • We organiseren voldoende inspraakmogelijkheid voor burgers en organiseren de afhandeling van klachten dichtbij de burger.

Kader 4. Eén gezin – één plan – één regisseur

De burger en de professional(s) maken samen een plan. De burger is zelf eigenaar. Eén van de professionals regisseert de naadloze samenwerking tussen de professionals. Opschaling via een indicatie gebeurt alleen als er geen adequaat antwoord in de directe kring van professionals beschikbaar is of buiten het mandaat valt van die professionals.

Uitgangspunten:

  • Zodra er sprake is van een meervoudige, complexere of onduidelijke vraag gaat een professional met de vraagsteller om tafel, liefst in de thuissituatie, om de vraag duidelijk te krijgen. Hierbij worden alle leefgebieden geïnventariseerd.
  • Samen met de vraagsteller worden oplossingsrichtingen verkend, waarbij achtereenvolgens wordt gekeken naar:
    • De eigen mogelijkheden;
    • Het eigen sociale netwerk en de omgeving;
    • Algemene oplossingen;
    • Maatwerkoplossingen
    • Het resultaat van het gesprek is een plan van aanpak. In dat plan staat het arrangement beschreven waarvan vraagsteller en professional samen hebben vastgesteld dat het een antwoord geeft op de vraag. De vraagsteller is eigenaar van het plan; de professional komt in de rol van regisseur als de burger dit zelf niet (meer). Hij regisseert dan de samenwerking tussen professionals.
    • De regisseur is de professional aan wie de burger de vraag stelt. Een regisseur blijft vanaf het eerste moment van het gesprek in het gezin en is de hoofdhulpverlener en coördinator van zorg.
    • Professionals in het veld willen we zoveel mogelijk verbinden aan de drie hoofdpijlers: het CJG, Het Plein/Zorgloket en een gebiedsgericht sociaal team.
    • De regisseur kan zowel een algemeen werkende professional zijn (bijv. opbouwwerker of maatschappelijk werker) als een specialistische professional (bijv. wijkverpleegkundige of orthopedagoog).
    • De regisseurs hebben met elkaar gemeen dat het goed opgeleide professionals zijn, die vanuit een brede zienswijze naar de situatie van de hulpvrager kunnen kijken en expertise in huis hebben om tot een goede vraagverheldering te komen.
    • De houding van de professionals wordt gekenmerkt door alertheid, een praktische instelling, er-op-af, doortastendheid, nabijheid en het kennen van de eigen grenzen.
    • De regisseur vervult zijn rol vanuit een gelijkwaardige positie ten opzicht van de burger.
    • De regisseur staat het gezin bij in het komen tot een oplossing en heeft als rol om te signaleren, activeren, regisseren en uitvoeren.
    • De regisseur kan zo nodig (kortdurende) ondersteuning bieden en heeft passend mandaat om oplossingen in te zetten. Hiermee heeft hij een grote ruimte om zelfstandig te handelen.
    • Als er sprake is van een situatie waarin geen passende voorziening voorhanden is of als er een specialistisch vraagstuk aan de orde is dan schakelt de regisseur specialistische hulp in via het expertiseteam. Maatwerkoplossing moeten snel kunnen worden ingezet. Het expertiseteam heeft ook doorzettingsmacht.

Kader 5. Zo nabij mogelijk

We organiseren algemene en maatwerk oplossingen zo dicht mogelijk bij huis bij (kleinschalige) organisaties in de nabijheid van burgers.

Uitgangspunten:

  • Ondersteuning is zoveel mogelijk georganiseerd in de nabijheid van de eigen woonomgeving. Voor de burger is niet zichtbaar of het aanbod afkomstig is van een lokale of een regionale aanbieder, wat telt is de kwaliteit en toegankelijkheid van de ondersteuning.
  • Is de bestaande ondersteuning niet toereikend als oplossing voor zijn vraag of wil een burger meer keuzevrijheid, dan krijgt de burger zelf een budget, zodat passende ondersteuning zelf kan worden ingekocht.
  • Voor jeugd bouwen we verder op het gedachtegoed van CJG4kracht.
  • Werk en dagbesteding dragen bij aan een waardevolle invulling van het leven van mensen en versterkt zo het sociale leven van en de sociale samenhang tussen mensen.
  • Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werken/participeren naar vermogen
    • Met ondersteuning en subsidies bij reguliere werkgevers
    • In hun eigen omgeving bij (kleinschalige) lokale organisaties
    • Door een (ook voor de burger) zinvolle tegenprestatie voor een uitkering te leveren bijvoorbeeld in de wijk
    • Door deel te nemen aan een vorm van dagbesteding in het kader van de WMO
  • Er wordt één proces voor alles rond werk en inkomen ingericht, waarbij de huidige uitvoeringsorganisaties Het Plein en Delta samensmelten. De juridische vormgeving wordt in 2014 nader onderzocht.

Kader 6. Lokaal èn regionaal

We regelen lokaal wat lokaal geregeld kan worden en gaan over op het regionaal regelen van zaken daar waar opschaling naar regionaal niveau slim is of de lokale kracht versterkt.

Uitgangspunten:

  • We regelen lokaal wat lokaal geregeld kan worden.
  • Daar waar het lokale aanbod niet afdoende is wordt een naadloze aansluiting gezocht op bovenlokale voorzieningen. Vooral op het gebied van jeugdzorg geldt hier: hoe specialistischer het gevraagde aanbod, hoe logischer de bovenlokale samenwerking.

Kader 7. Eén ontschot budget
We werken toe naar een ontschot budget voor het totale sociale domein waarbij we uitgaan van het principe dat lasten gelijk staan aan de baten.

Uitgangspunten:

  • Bij een ondersteuningsvraag wordt eerst gekeken naar oplossingen in het eigen netwerk of naar gebruikmaking van algemene oplossingen.
  • Om dit optimaal in te richten wordt zoveel mogelijk samenhang gezocht tussen alle oplossingen die deelname in de samenleving vergroten, dus over de drie domeinen heen. Dit kunnen zowel particuliere als commerciële als overheidsoplossingen zijn. Hierbij past dat budgetten vloeiend kunnen worden ingezet.
  • Lochem en Zutphen hebben een eigen financiële huishouding.
  • De ultieme stip op de horizon is om een totaal ontschot budget voor het sociale domein te bewerkstelligen. Hieronder vallen zowel bestaande budgetten op gebied van zorg en welzijn, als nieuwe budgetten in het kader van de drie decentralisaties. Dit is echter een groeimodel, waarbij onderzoek moet uitwijzen wat er nodig is om deze situatie haalbaar te maken.
  • In eerste instantie zijn we wettelijk gebonden aan de voortzetting en waarborging van bestaand beleid waaronder veel dure maatwerkvoorzieningen. We zoeken zoveel mogelijk naar ruimte om middelen in te zetten voor algemene oplossingen gericht op preventie, welzijn en participatie.
  • Er wordt uitgegaan van het principe inkomsten = uitgaven, oftewel de lasten zijn gelijk aan de baten.
  • Ook de uitvoeringskosten worden uit dit budget betaald.
  • Bij dreigende overschrijding van het budget dient heroverweging van het beleid plaats te vinden. Het valt te verwachten dat deze situatie in de eerste jaren na invoering van de decentralisaties zal ontstaan. Dit kan gevolgen hebben voor het voorzieningenniveau.
  • Er wordt zoveel mogelijk ingezet op vroegsignalering, preventie, lichte vormen van zorg en passende zorg dichtbij de burger, waar mogelijk zonder indicatie. Hiertoe dient op bovenlokaal niveau zoveel mogelijk kostenreductie gerealiseerd te worden.
  • We hanteren een licht kwaliteitssysteem, zodat zoveel mogelijk geld naar voorzieningen kan vloeien.

Kader 8. Eigen bijdrage

Mensen dragen (financieel) bij naar vermogen via een eigen bijdrage voor het gebruik van voorzieningen binnen het sociale domein, waarbij uitzonderingen nader bepaald worden .

Uitgangspunten

  • Burgers dragen naar vermogen bij aan de oplossing van hun eigen probleem; dat kan ook financieel zijn.
  • De gemeente krijgt een zodanig budget van het Rijk dat de fictieve eigen bijdrage er al op gekort is. Door het op een andere manier te organiseren kunnen we een groot deel van de korting opvangen. Deels zal een eigen bijdrage van burgers nodig zijn.
  • Uitzonderingen moeten nader worden bepaald.

Kader 9. Inkoop

We stellen bij de inkoop specifiekere eisen voor kwaliteit en effectiviteit naar mate het zelf (kunnen) doen door burgers afneemt en het (financiële) risico van de gemeente groter wordt.

Uitgangspunten:

  • We zien de burger als eerste opdrachtgever: hij kiest in eerste instantie zelf van welke algemene oplossingen en/of PGB hij gebruik wil maken.
  • Alles wat de gemeente niet zelf doet heet inkoop. In die situatie is de gemeente opdrachtgever en zijn aanbieders van algemene oplossingen en maatwerkvoorzieningen opdrachtnemer.
  • De gemeente als opdrachtgever formuleert helder wat het gewenste resultaat/effect is, welke kwaliteitscriteria daarbij passen en hoeveel budget daarvoor beschikbaar is. De opdrachtnemer formuleert op welke wijze daaraan uitvoering kan worden gegeven.
  • Hoe meer sturing en controle op resultaat/effect gewenst is (denk aan specialistische zorg), hoe stringenter de  kwaliteitscriteria moeten zijn die bij de inkoop worden gesteld. Andersom: hoe meer de burgers zelf doen, hoe minder de gemeente stuurt op kwaliteit.
  • Rekenschap afleggen over de inspraak/ zeggenschap van cliënten maakt een belangrijk onderdeel uit van de resultaatafspraken.
  • De manier van inkopen kan verschillen afhankelijk van het gewenste in te kopen resultaat/effect. Per onderdeel moet bekeken worden welk inkoopmodel het meest passend is om het gewenste resultaat te bereiken.
  • Daar waar mogelijk, efficiënt en effectief zal in samenwerking met andere gemeenten binnen de daarvoor bestaande samenwerkingsverbanden, gezamenlijk worden ingekocht.

Beoogd effect

De negen beleidskaders geven een concrete invulling van de visie. Ze geven op hoofdlijnen richting aan de uitwerking van uitvoeringspraktijk die in 2014 plaats zal vinden.

Argumenten

1. Samenhang drie decentralisaties

De drie decentralisaties kennen ieder hun eigen kenmerken. Maar juist de samenhang tussen de decentralisaties maakt het verschil. De kaders in dit algemeen beleidskader geven richting aan het gehele sociale domein.

2. Beleidskader opgesteld in overleg met betrokken dienstverleners en cliëntenorganisaties

Op verschillende momenten is met externe partijen gesproken over (delen van) het beleidskader. Er zijn breed bezochte ontbijtsessies en workshops georganiseerd, en er zijn diverse gerichte consultaties geweest. De informatie die tijdens deze bijeenkomsten is opgehaald, is verwerkt in het voorliggende beleidskader. Aanvullend daarop heeft het beleidskader 4 weken ter inzage gelegen en zijn betrokkenen uitgenodigd hun zienswijze kenbaar te maken. 

Kanttekeningen

De wettelijke en financiële kaders van de drie decentralisaties zijn nog niet vastgesteld. We werken aan de hand van concept wetteksten, regeerakkoord en voornemens van het Rijk.

Onlangs heeft de Tweede Kamer ingestemd met de nieuwe Jeugdwet. De Eerste Kamer behandelt de wet naar verwachting in januari 2014. Formeel moet de decentralisatie dus nog bekrachtigd worden.

De behandeling van de Participatiewet en de WMO wet in de Tweede en Eerste Kamer staan voor begin 2014 op de agenda.

Tegelijk met het algemeen beleidskader sociaal domein wordt ook de regionale kadernotitie jeugd aan u voorgelegd. Deze documenten hebben een duidelijke relatie met elkaar. De oplossingen die we in regionaal verband organiseren sluiten aan op wat lokaal gebeurt.

Uitvoering/Communicatie/Vervolgtraject

Na het besluit van ons College waarmee we algemeen beleidskader in concept hebben vastgesteld ziet het verdere traject richting besluitvorming er als volgt uit:

  1. Ter inzage periode                           8 januari  - 5 februari 2014
  2. Presentatie in het Forum                   27 januari 2014
  3. Oordeelvormend Forum                    10 februari 2014
  4. Besluitvorming over de kaders           24 februari 2014

Rapportage/evaluatie

Rapportage over de voortgang verloopt via de stuurgroep Sociaal Domein. De stuurgroep vergadert elke 3 weken. Elke 2 maanden is er bovendien een informele bijeenkomst voor de gemeenteraad. 

Financiën

De voorbereiding op de invoering van de drie decentralisaties wordt uitgevoerd door het programma sociaal domein. Voor de invoeringskosten hebt u eerder budget beschikbaar gesteld en is separaat aanvullend een voorstel richting uw raad onderweg.

Voor wat betreft de concrete uitvoeringskosten is nog nog sprake van grote onzekerheid en wordt pas in de loop van 2014 meer helderheid verwacht. Indachtig  ons voorstel zoals geformuleerd onder kader nr. 7 hanteren we als uitgangspunt om niet meer uit te geven van we aan inkomsten ontvangen. Oftwel: de lasten zijn gelijk aan de baten.

Bijlagen

Algemeen beleidskader Sociaal Domein.

 

Bijlagen

Ontwerp

Besluit

Griffienummer: 2014-0008

De raad van de gemeente zutphen,


gelezen het voorstel van het college van burgemeester & wethouders van 10 januari 2014 met nummer 13925



b e s l u i t :

de negen beleidskaders sociaal domein vast te stellen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van

de raad van de gemeente zutphen,

gehouden op:



de voorzitter, de griffier,

Behandeld in Forum van 24 februari 2014 Naar boven

Toelichting griffie

In april 2013 heeft de raad de visie 'Bouwen op kracht van de lokale samenleving' vastgesteld. Voorgelegd worden nu de negen algemene beleidskaders. Zij geven een concrete invulling van de visie. De negen beleidskaders staan ook in het Algemeen beleidskader sociaal domein dat in het Forum van 27 januari 2014 besproken is. Maar in het stuk dat nu ter tafel ligt zijn de kaders voorzien van uitgangspunten.

Raadsadviseur: G Pletzers

Datum 24-02-2014 Tijd 19:00 - 21:00
Zaal
Raadzaal
Behandeling
Oordeelsvormend
Openbaarheid
Openbaar
Voorzitter
J.S.M. van der Pal
Griffier
T.A.L. Venneman
Aanwezig namens Naam
PvdAP.P.G.L. Smeenk
StadspartijD.G. Derlagen
VVDA. van Dijk
GroenLinksJ.M. Luijendijk
D66C.A. Lammers
BurgerbelangR.C.M. Sueters
CDAJ. Pennings - Hanemaaijer
SPJ.J. Kosters
ChristenUnieR.A. Klein Bennink
StadsbelangH.M.J. Siebelink
Lijst LilianL.E. Steenvoort

Verslag van de vergadering

De voorzitter opent de vergadering en heet iedereen welkom. Er zijn 2 insprekers en het woord wordt gegeven aan mevrouw Kopmels. Na de vergadering zijn documenten overhandigd die als bijlage zijn bijgevoegd.

De VVD vraagt aan mevrouw Kopmels waarom er zorgen zijn over vroegsignalering.

Mevrouw Kopmels antwoordt dat het nu efficënt en goedkoop is geregeld en dat MEE dat graag zo wil houden. Er is een kans dat de gelden straks versnipperd worden.

De PvdA wil weten op welke wijze de waarden van de huidige organisatie het beste geborgd kunnen worden.

Mevrouw Kopmels antwoord dat instandhouden van de huidige organisatie niet het eerste doel is.  We moeten nu eerst goed door de transitie heen en daarna de transformatie. Het is belangrijk dat de aanwezige kennis van het veld beschikbaar gesteld kan blijven.

Burgerbelang vraagt of er ook vrijwilligers in de wijkteams zitten.

Mevrouw Kopmels zegt dat er een dekkend netwerk van wijkteams met ook inzet van vrijwilligers.

De stadspartij vraagt hoe het zit met het beroepsgeheim van de verschillende partners in de teams.  De privacy van cliënten moet wel goed beschermd worden.

Mevrouw Kopmels antwoordt dat de privacyregels in acht worden genomen.

Stadsbelang vraagt of de zorgpunten ook bij het college bekend zijn.

Mevrouw Kopmels antwoordt dat de zorgpunten bij het college bekend zijn. Er zijn goede gesprekken en er is vertrouwen dat men er samen uit gaat komen.

D66 vraagt of er ook samengewerkt wordt met huisartsen.

Mevrouw Kopmels zegt dat in de dagelijkse praktijk meer worden samengewerkt met de praktijkondersteuners dan met de huisartsen zelf. Dit wordt veelal gedaan vanuit het centrale kantoor.

De voorzitter dankt mevrouw Kopmels voor de inbreng en geeft het woord aan de heer Boswinkel van Stichting Perspectief.

De heer Boswinkel doet zijn verhaal.

De VVD vraagt naar de betekenis van de samenwerking tussen jeugdzorg en ozc.

De heer Boswinkel zegt dat dit gelezen moet worden hoe je het zou kunnen organiseren en zegt daarmee niet samenvoegen.

Burgerbelang vraagt hoe de vrijwilligers worden ingepast.

De heer Boswinkel zegt dat die wereld er al mooi uitziet en nog mooier kan worden. Met trainingen worden vrijwilligers geschoold op verschillende  terreinen zoals schulhulpverlening, 65+ huisbezoeken. De combinatie van professional en vrijwilliger moet blijven en heeft een meerwaarde. Vrijwilligers kunnen professionals echter niet vervangen.

GroenLinks vraagt of het niet beter is geheel geen eigen bijdrage te vragen.

De heer Boswinkel zegt geen principieel tegenstander te zijn van de eigen bijdrage.  Voor sommige voorzieningen is het niet erg als daar iets voor betaald moet worden. Aan de professionals moet je het echter over laten of een eigen bijdrage wel of niet verantwoord is.

De Stadspartij vraagt aandacht voor de gevolgen van de stapeling van eigen bijdrages en vraagt hoe het college daar over denkt.

De heer Boswinkel zegt dat ook in verband van de stapeling het belangrijk is dat de professional zelfstandig beslissingen hierover moet kunnen nemen.

D66 vraagt hoeveel vrijwilligers nodig zijn.

De heer Boswinkel zegt dit niet te weten. Er moet nog onderzoejk plaatsvinden en ook de kwaliteit is bepalend.

Nadat de vragen aan de heer Boswinkel zijn beantwoord dankt de voorzitter de heer Boswinkel voor de inbreng en geeft aan  dat de forumleden maximaal 3 vragen in eerste instantie kunnen stellen. 

D66 vraagt of er al keuzes zijn gemaakt over de PGB en wil weten hoe de laagdrempeligheid van  de sociale wijkteams kan worden gegarandeerd en de rol en meerwaarde van het CJG ingevuld gaat worden.

De CU wil weten wat er gaat gebeuren als de burger de opdrachtrol niet vervult. Ook is de partij benieuwd naar de nieuwe organisatievorm en in hoeverre de nota over de gebonden partijen een rol gaat spelen. De partij is van oordeel dat er eerst duidelijkheid en een besluit genomen moet worden over de nota gebonden partijen.

Stadsbelang vraagt hoe en wanneer de partijen die hebben ingesproken een reactie krijgen. Overigens geeft de partij een compliment over het voorliggende stuk. De partij deelt mede om 20.00 uur de vergadering te verlaten.

Burgerbelang wil ook graag meer weten over de eigen bijdrage en de inpassing van de vrijwilligers. Vanuit de 80/20 verhouding praten we over grote aantallen en daar moeten we ons bewust van zijn. De partij is blij met de positieve kritiek die door diverse partijen is gegeven. Dat is een compliment waard en de partij hoopt dat het college opzelfde wijze de verdere uitwerking gaat oppakken.  De partij wil nog wel weten hoe de verschillen tussen de gemeenten bij de uitwerking zichtbaar worden gemaakt.

De PvdA geeft eveneens een compliment over het voorliggende beleidskader. De ruimte voor professionals moet goed worden geborgd en de samenhang met passend onderwijs moet er goed bij worden betrokken. Bij de risicio's moet ook de kwaliteit van de zorg toegevoegd worden en hoe krijgt  de zelfredzaamheid van de burger vorm. Kader 4  over éen regisseur is erg belangrijk. De uitwerking hiervan ziet de partij graag. De partij wil een uityspraak van het collge over de inzet van de mantelzorgers. Daar liggen beperkingen.

De VVD  wil ingaan op het memo bij de stukken. Hoe gaat het CJG4kracht in Zutphen uitgerold worden. Het memo is nog erg algemeen. Ook de relatie CJG en OZC vraagt om meer duidelijkheid. Ook vragen de begrippen participatie in het kader van de wet en participatiemaatschappij meer duidelijkheid. De partij wil weten in hoeverre er ook al contacten zijn met zorgverzekeraars.

De lijst Lilian vraagt of bij de verdere uitrwerking de WGR aan de orde komt.

De SP vraagt naar aanleiding van de ICT oderstreuning of iedere gemeente dat voor zichzelf gaat regelen of dat er samengewerkt gaat worden. Hoe wordt de privacy van cliënten geborgd. De partij wil ook weten hoe het college de kwaliteit gaat bewaken. Wordt daar een apparaat voor ingericht en kunnen we de garantie krijgen dat niet alleen de goedkoopste aanbieder bepalend is.

De stadspartij zegt dat nu nog veel mensen gebruiik maken van de dagopvang. Hoe denkt het college dat instand te kunnen houden. Er zijn veel geluiden dat dagopvang wordt gestopt. Hoe denkt het college invulling te gaan geven aan de tegenprestaties en welk tijdpad heeft het college nog voor ogen.

Het CDA zegt zorgen te hebben over de kwaliteitsbewaking. Wat gaat het college daaraan doen. ICT zal een belangrijke rol moeten krijgen in het kader van de expertise. De partij wil weten of het CJG klaar is voor de centrale spil functie.

GroenLinks zegt dat de nota een goed beeld schets van de toekomst. PGB blijft voor de partij een belangrijk punt  en wil weten wat er gaat gebeuren wanneer instellingen opzich zelf blijven functioneren in plaats van onder 1 regisseur. Het begrip tegenprestatie mag van de partij vervangen worden door recht op meedoen. We zullen moeten durven vernieuwen en van fouten moet je willen leren.

Het college spreekt dank uit voor de complimenten die door verschillende fracties zijn uitgesproken. Er moet nog veel gebeuren voor 1 janauri 2015 en we zijn met veel bezig. Veel van de vragen kunnen ook pas in de toekomst worden gegeven bij de verschillende uitwerkingen. Dat is in het memo ook zo verwoord. Veel  punten van de insprekers en de zienswijzes komen in de uitwerking pas aan de orde. Ze hebben niet geleid tot een aanpassing van de beleidskadernotitie.

Stadsbelang interrumpeert en vraagt welk tijdpad het college gaat volgen en wanneer insprekers een reactie krijgen.

Het college zegt dat er nu al gesprekken worden gevoerd met diverse insprekers en dat over enkele weken een formele reactie gegeven kan worden. Het is de bedoeling dat deze raad de beleidskaders nog gaat vaststellen en met het sluiten van de inspraaktermijn op 10 februari is er nog geen tijd geweest voor formele reacties naar de organisaties die hebben gereageerd.

Stadsbelang vraagt of de reacties ook nog terug komen in de raad.

Het college zegt dat de uitwerkingen ook terug komen in de raad. Op de vraag van D66 over de PGB's antwoordt het college dat dit nog nader ingevuld moeten worden. Een eigen keuze is daarbij belangrijk.

De stadspartij interrumpeert met de vraag of er gebruik wordt gemaakt van de indicatiestelling door SIS.

Het college zegt dat dit nog een kwestie is van uitwerking. De gemeente krijgt hierin een positie en deskundigen zullen daarbij ook een rol krijgen.De samenwerking tussen scholen en CJG is erg belangrijk in het kader van de vroegsignalering. Er zal veel aandacht moeten zijn voor diverse plekken in relatie tot vroegsignalering.

De PvdA vraagt hoe het college de ene regisseursrol in de toekomst ziet.

Het college geeft aan dat de regisseursrol nu afhankelijk van de problematiek ook al bij een organisatie ligt. Dat hoeft niet altijd dezelfde instantie te zijn. Van professionals wordt verwacht dat ze tijdig gaan doorverwijzen. E.e.a. moet in de uitwerking nog duidelijker worden. Er moet ruimte zijn voor professionalisme en het is niet de bedoeling dat gewerkt wordt met vooraf bepaalde protocollen. Er zijn drie hoofdpijlers: Plein/WMO-sociale wijkteams en CJG. Die moeten goed verbonden zijn. In elke wijk een WMO loket is te star. Er moeten flexibele oplossingen gezocht worden.

Als de burger zelf geen opdracht wil of kan verstrekken zal indien dat nodig is vanuit de regierol worden overgenomen. De nota over verbonden partijen komt binnenkort aan de orde en zal ook een rol gaan spelen. De vragen over de eigen bijdrages zijn terecht. Eigen bijdrages mogen geen drempel gaan vormen. Daar moeten nog oplossingen voor komen en er moet ruimte zijn voor de professionals.

De SP interrumpeert met de vraag of het college de eigen bijdrage door het CAK gaat innen.

Het college deelt mede dat dit nog niet bekend is.

D66 vraagt of de gemeenteraad zelfstandig keuzes kan maken of dat er regionale binnende afspraken gemaakt moeten worden.

Het college zegt dat iedere gemeente zelf invulling kan geven aan het beleid voor de eigen bijdrage.

Ten aanzien van de vrijwilligers zegt het college dat die bij de uitvoering erg belangrijk gaan worden maar dat we ook moeten oppassen  dat wat we teveel van vrijwilligers gaan vragebn en daarme de mogelijkheden van inzetten vrijwilligers dood slaat.

De Stadpartij merkt op de vrijwilligerswerk niet vrijblijvend is.

Het college is het hier volledig mee eens. We zullen het potentieel aan vrijwilligers optimaal moeten gaan benutten. Tegelijk is het optijd ontlasten van de vrijwillige mantelzorgers ook belangrijk.

De PvdA vraagt of dit een keuze van de raad is.

Het college geeft aan dat dit juist is.

De Stadspartij zegt dat nu al gesignaleerd wordt dat er dagopvang verdwijnt. Wat gaat het college daaraan doen.

Het college zegt daar nu niet in dat gat gesprongen gaat worden. Als een instelling de dagopvang stopt kunnen we daar weinig aan doen.

Burgerbelang is van oordeel dat we ervoor moeten waken dat de deskundigheid van vrijwilligers verloren gaat.

Het college zegt dat het traject naar 1 januari 2015 nog onder grote tijdsdruk staat. Als we het in de toekomst goed voor elkaar willen hebben zullen we ook bepaalde risico's moeten durven nemen en wanneer iets fout gaat herstellen. We kunnen als gemeente zaken lokaal regelen. Wanneer zaken beter regionaal kunnen moeten we dat niet nalaten. Soms is regionaal belangrijker dan lokaal. Maatwerk is belangrijk. De professionals zijn er van doordrongen dat het anders kan en moet. Er is winst te behalen. Het is niet de bedoeling de bewaking van de kwaliteit van de zorg ingewikkeld te maken en daar administratieve processen van te maken. Ten aanzien van de ICT wordt ook gekeken naar wat er landelijk wordt ontwikkekld.

Lijst Lilian vraagt of de raad nog wat te zeggen heeft over de gang van zaken.

Het college zegt dat wanneer de kaders zijn vastgesteld de uitwerking plaatsvindt. Die wordt weer met de raad besproken. Op het vraagstuk van de organisatievorm komt het college tezijndertijd terug. Dat geldt ook voor de WGR. De nota gebonden partijen speelt daar ook een rol in. Ook de rekenkamer heeft aanbevelingen gedaan.

De Stadspartij is voorstander van een aparte bijeenkomst met de raad over een WGR.

Het college zegt dat het een taak wordt voor de nieuwe raad. We moeten niet te snel schrikken van een WGR. Het is de vraag hoe kunnen we op termijn blijven sturen. CJG4kracht eb OZC krijgen in Zutphen een belangrijke plek. Het goede gebruik van de begrippen participatiewet en participatiesamenleving onderschjrijft het college en zal goed moet worden gebruikt. Het contact met zorgverzekering vindt op regio nuiveau plaats. De privacy bescherming blijft een voortdurende aandachtspunt  en de wijze van aanbesteding zal verschillend kunnen zijn. de Kwaliteit van de samenleving is daarbij erg belangrijk en het is niet de bedoeling een jacht te gaan maken op de goedkoopste aanbieder.

Burgerbelang vraagt daar de raad bij te betrekken.

Het college zegt dat dit ook de bedoeling is. In antwoord op de vraag over tegenprestaties van Groenlinks zegt het college dat deze term in de wet is bepaald. Het CJG is ten dele klaar voor de toekomst en ten dele moet het nog ontwikkeld worden, maar dat geldt voor alle organisaties.

De PvdA vraagt hoe de second opinion is/wordt georganiseerd.

Het college zegt dat er niet zo letterlijk sprake zal zijn van een second opinion. Een cliënt staat het vrij een andere keuze te maken.

Het CDA adviseert aan ter sluiten bij landere ontwikkelingen.

De voorzitter concludeert dat alle vragen zijn beantwoord en vraagt het forum of de algemene beleidskaders rijp zijn voor besluitvoring door de raad.

Het forum geeft unaniem aan dat het document rijp is voor besluitvorming door de gemeenteraad.

De voorzitter sluit de vergadering.

Advies

Voldoende besproken. Verder debat in de raad

Behandeld in Raad 10 maart 2014 (21:30 - 23:00) Naar boven

 
Datum 10-03-2014 Tijd 21:30 - 23:00
Zaal
Raadzaal
Openbaarheid
Openbaar
Voorzitter
J.A. Gerritsen
Griffier
G.A.J. Winters

Verslag van de vergadering

Zie de bijlage.

Bijlagen

Besluit

Aangenomen
Geen amendementen ingediend