Keuze uitvoeringsrichting toekomst huishoudelijke hulp 2019

Onderwerp Keuze uitvoeringsrichting...

Zoekresultaten

Wordt geladen...

Keuze uitvoeringsrichting toekomst huishoudelijke hulp 2019

Onderwerp Keuze uitvoeringsrichting toekomst huishoudelijke hulp 2019
Programma04. Een vitale samenleving, iedereen doet mee
ForumOordeelsvormend
Portefeuillehouder P Withagen
Inlichtingen bij Melanie Hagen
06-81425223 m.hagen@zutphen.nl
Soort bevoegdheidControlerend, Budgetrecht
BeleidsvrijheidBeperkt
Programmabegrotingswijziging2018-02
Het college van burgemeester & wethouders stelt voor :
  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders;
  2. Te kiezen voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp middels quasi-inbesteden, en deze stichting de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een bedrag van € 800.000 als implementatiebudget beschikbaar te stellen voor de oprichting van de stichting huishoudelijke hulp en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
    Indien de raad niet de keuze maakt conform beslispunt 2 dan de keuze te maken voor één van onderstaande organisatievormen, en deze vorm de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
    b) Één werknemerscoöperatie middels begrotingssubsidie of
    c) Gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie middels begrotingssubsidie of
    d) Coöperatie middels begrotingssubsidie of
    e) Innovatietraject met aanbieders.
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.
    Een implementatiebudget, zoals hieronder weergegeven, beschikbaar te stellen voor de gekozen organisatievorm conform beslispunt 2 of 3 en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen:
    a. Stichting huishoudelijke hulp, implementatiebudget € 800.000,-;
    b. Werknemerscoöperatie, implementatiebudget € 785.000,-;
    c. Gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie, implementatiebudget € 855.000,-;
    d. Coöperatie, implementatiebudget € 800.000,-;
    e. Innovatietraject met aanbieders, implementatiebudget € 125.000,-.

  5. De begroting 2018 conform beslispunt 4 a, b, c, d of e te wijzigen.

Inhoud

Inleiding/aanleiding

In juni 2015 heeft de gemeenteraad zijn ambities met betrekking tot de toekomst van de huishoudelijke hulp uitgesproken en unaniem kaders en uitgangspunten vastgesteld (zie ook bijlage 2: Uitgangspunten en kaders huishoudelijke hulp) waaraan een nieuwe toekomstbestendige organisatievorm voor huishoudelijke hulp moet voldoen. Immers, steeds meer mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking of psychiatrische en/of verslavingsproblematiek wonen langer zelfstandig thuis, maar zij hebben hier wel ondersteuning bij nodig. Huishoudelijke hulp is een belangrijk instrument om onze inwoners zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen omdat het een lichte vorm van ondersteuning is die houvast biedt en die kan signaleren als er meer zorg nodig is. Een functionele verbinding met sociale wijkteams en wijkverpleegkundigen is daarbij essentieel.

In de huidige situatie doorlopen we nu elke paar jaar een aanbestedingsproces waardoor cliënten steeds met wisselende zorgaanbieders en andere huishoudelijke hulpen worden geconfronteerd. Ook moeten medewerkers steeds opnieuw solliciteren met alle gevolgen voor het salaris en de secundaire arbeidsvoorwaarden van dien. Bovendien is het vereenvoudigen van processen, waardoor de cliënt en huishoudelijke hulp meer regie en zeggenschap krijgen, een uitdaging wanneer er met meerdere aanbieders gewerkt wordt. Dit geeft de noodzaak weer om te kijken naar andere organisatievormen waarbij de hulpen in een prettige werkomgeving wijkgerichte ondersteuning kunnen bieden waar een cliënt echt behoefte aan heeft.

Op basis van de kaders en uitgangspunten van de Raad, heeft het college een koers bepaald over hoe de huishoudelijke hulp kan worden ingericht. Deze koers, het oprichten van een stichting huishoudelijke hulp middels quasi-inbesteden, is eind 2016 en begin 2017 besproken met de Raad. Tijdens de raadsvergadering op 13 februari 2017 zijn de wensen en bedenkingen met betrekking tot de stichting huishoudelijke hulp vastgesteld. Tevens is besloten om, naast een businesscase stichting huishoudelijke hulp, een businesscase uit te werken voor een alternatieve vorm waarbij zo veel mogelijk de ruimte wordt gegeven aan één of meerdere (werknemers)coöperaties (zie ook bijlage 3).

Vanuit de gegeven kaders zijn de volgende drie organisatievormen in businesscases uitgewerkt (zie bijlage 4):

1. Stichting huishoudelijke hulp

2. (Werknemers)coöperatie

a) werknemerscoöperatie in één keer ingevoerd
b) werknemerscoöperatie gefaseerd ingevoerd
c) coöperatie

3. Een innovatietraject met de huidige zorgaanbieders.

We vragen de raad om op basis van deze businesscases een keuze te maken voor een organisatievorm die past bij de kaders en uitgangspunten en de ambitie van de gemeente Zutphen om de huishoudelijke hulp toekomstbestendig te maken. Het college beveelt u aan een keuze te maken voor het oprichten van een Stichting door middel van quasi-inbesteden. In het nu voorliggende raadsvoorstel worden hiervoor argumenten aangedragen waarbij de drie organisatievormen met elkaar worden vergeleken en wordt toegelicht waarom de stichting volgens het college de voorkeur heeft.

Het college heeft onderzocht of het mogelijk is om twee organisatievormen verder uit te werken met de daarbij behorende financiële en inhoudelijke concretisering om vervolgens op basis daarvan de raad te vragen een definitieve keuze te maken. Het is echter op juridische gronden te risicovol gebleken om twee organisatievormen naast elkaar uit te werken. Om verder te kunnen, is een duidelijke keuze nodig van de raad voor één van bovengenoemde organisatievormen. Om te benadrukken dat deze keuze aan de raad is, is expliciet beslispunt 3 opgenomen. Daarin wordt de raad gevraagd om, indien men niet voor een Stichting kiest, een keuze te maken voor één van de andere organisatievormen.

Beoogd effect

De huishoudelijke hulp wordt toekomstbestendig gemaakt waarbij de verbinding tussen hulp en cliënt en de regie en zeggenschap van de cliënt en de huishoudelijke hulp centraal staat. Hulp blijft beschikbaar voor wie dit nodig heeft, wordt op een zo eenvoudig mogelijke manier ingericht en sluit goed aan op de totale hulp- en dienstverlening in de wijk. Deze inbedding is essentieel om de signaleringsrol van de huishoudelijke hulp optimaal te laten fungeren als schakel naar sociale wijkteams voor informele hulp en naar wijkverpleging voor medische zorg. We streven naar continuïteit voor zowel hulp als cliënt binnen een duurzame werkomgeving en naar behoud van werkgelegenheid voor de huishoudelijke hulpen.

Argumenten

1.1. Het oprichten van een stichting huishoudelijke hulp creëert een duurzame werkomgeving waarbij zeggenschap van de hulpen groot is;

1. Stichting: Door een stichting huishoudelijke hulp op te richten middels quasi-inbesteden kan de gemeente opdrachten direct en langdurig gunnen aan de stichting. De stichting neemt de hulpen via de Wet Overgang van Onderneming over waardoor de hulpen in dienst komen van de stichting met het recht op, en behoud van huidige arbeidsvoorwaarden. De zeggenschap van de hulpen kan binnen de stichting worden geborgd door te werken met zelfsturende wijkteams waarbij de teams zelf verantwoordelijkheden, taken en rollen beleggen binnen het team.

2a. Werknemerscoöperatie in één keer ingevoerd: Bij deze organisatievorm worden alle hulpen via de wet OvO in één keer overgenomen door een werknemerscoöperatie. De gemeente kan deze werknemerscoöperatie buiten de aanbesteding financieren via een begrotingssubsidie. Dit betekent dat er voor langere tijd zekerheid kan worden geboden aan hulpen en cliënten indien de gemeente jaarlijks een subsidie beschikking afgeeft. Doordat hulpen eigenaar zijn is de zeggenschap groot. De hulpen kunnen zelf kiezen hoe zij de ondersteuning in willen richten. De organisatie heeft haar volledige eigen bedrijfsvoering en werkt in zelfsturende teams. Een nadeel is dat alle hulpen in feite gedwongen worden om mede-eigenaar te worden en deze verantwoordelijkheid schrikt sommigen af.

2b. Gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie: Hierbij wordt in één wijk gestart met een werknemerscoöperatie met als doel op te schalen in de aankomende jaren. Hierdoor zullen huidige aanbieders en de werknemerscoöperatie een periode naast elkaar bestaan. Doordat de gemeente aanbieders geen zekerheid kan bieden over de toekomst kan dat bijvoorbeeld nadelige invloed hebben op het beleid voor het aannemen van personeel.

2c. Coöperatie: een coöperatie zal op eenzelfde manier opgericht en geïmplementeerd worden als de stichting. Middels een begrotingssubsidie kan de gemeente de coöperatie buiten de aanbesteding financieren. De hulpen zijn, anders dan bij de werknemerscoöperatie, wel lid maar geen eigenaar. Hulpen werken in zelfsturende teams en kunnen via algemene ledenvergaderingen hun stem laten horen.

3. Innovatietraject met zorgaanbieders: hierbij geldt dat er een aanbestedingstraject gevolgd dient te worden zoals tot dusver de procedure is geweest. Hierdoor kunnen cliënten elke paar jaar met wisselende zorgaanbieders en steeds nieuwe huishoudelijke hulpen worden geconfronteerd en zullen de medewerkers steeds opnieuw moeten solliciteren.

1.2. Door het oprichten van een stichting middels quasi-inbesteden kan de gemeente op afstand sturen op de uitvoering;

1. Stichting: Bij de stichting huishoudelijke hulp, opgericht middels quasi-inbesteden heeft de gemeente de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op strategische overwegingen en belangrijke beslissingen tijdens het uitvoeren van de activiteiten. Deze invloed is juist zo belangrijk als de gemeente kiest voor verregaande verandering.

In een overeenkomst met de stichting kan worden vastgelegd hoe de samenwerking verloopt en wanneer de gemeente in kan grijpen wanneer zij daar aanleiding toe ziet. Op deze manier hoeft de gemeente niet fysiek vertegenwoordigd te zijn in het dagelijks bestuur of in een toezichtorgaan maar houdt de gemeente wel de mogelijkheid om haar invloed uit te oefenen op strategische overwegingen en belangrijke beslissingen tijdens het uitvoeren van de activiteit. Een ander voordeel hiervan is dat in de toekomst op relatief eenvoudige wijze kleine aanvullende taken (kopje koffiedrinken, boodschappen doen) door de stichting kunnen worden uitgevoerd en, indien wenselijk, ook andere maatwerkvoorzieningen (eenvoudige begeleiding) te combineren met huishoudelijke hulp. De gemeente heeft bij quasi-inbesteden dus zelf beslissingsrecht en kan makkelijk overgaan tot implementeren en aanpassen van ideeën.

2a. Werknemerscoöperatie in één keer ingevoerd: Middels een subsidieovereenkomst kunnen vooraf afspraken worden gemaakt over de inrichting van teams en de verbinding met de wijk. Echter is het niet mogelijk voor de gemeente om tijdens de uitvoering beslissende invloed op belangrijke beslissingen te hebben. Achteraf kan dit geëvalueerd worden maar tussentijds kan er alleen constructief samengewerkt worden. Daarnaast faciliteert de gemeente de overgang maar is de werknemerscoöperatie een onafhankelijke aanbieder die middels een subsidieovereenkomst de activiteit hulp bij huishouden kan uitvoeren. De gemeente heeft hiermee in mindere mate invloed op de uitvoering van de visie huishoudelijke hulp dan dat zij bij de stichting heeft.

2b. Gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie: De gemeente heeft hierbij te maken met meerdere aanbieders met allen een eigen werkwijze binnen de bedrijfsvoering waar de gemeente weinig invloed op uit kan oefenen. Het implementeren van zelfsturende of wijkgerichte teams kan lastig zijn omdat bijvoorbeeld ICT-processen hier niet op zijn ingesteld. Daarnaast is financiering op basis van lumpsum een uitdaging wanneer meerdere aanbieders in verschillende wijken zitten. Wijkgericht werken wordt bemoeilijkt omdat er één bedrag verdeeld wordt over verschillende organisaties en wijken. Deze organisaties wordt een bedrag toebedeeld gebaseerd op de populatie cliënten die in de wijk woont. Dit kan echter in een jaar veranderen waardoor de gemeente moet toezien of het bedrag wat organisaties krijgen wel toereikend is. Dit zorgt voor extra administratieve handelingen.

2c. Coöperatie: toelichting conform 2a.

3. Innovatietraject met zorgaanbieders: toelichting conform 2b.

1.3. De hulpen en de cliënten geven aan dat een stichting huishoudelijke hulp het beste invulling geeft aan hun wensen en drijfveren;

1. Stichting: Zowel de groep huishoudelijke medewerkers als de cliënten die we hebben gesproken als de FNV hebben aangegeven positief te staan tegenover een stichting huishoudelijke hulp, vooral vanwege het feit dat er voor een langdurige periode een overeenkomst kan worden aangegaan. Hierdoor worden cliënten niet langer met wisselende zorgaanbieders, en steeds nieuwe huishoudelijke hulpen geconfronteerd. Tevens wordt voorkomen dat medewerkers steeds opnieuw moeten solliciteren met alle gevolgen voor het salaris en de secundaire arbeidsvoorwaarden van dien. Daarnaast hebben meerdere hulpen aangegeven het prettig te vinden om in loondienst te kunnen blijven werken, maar dan wel in een organisatie met zelfsturende wijkteams waarbij hulpen rollen en verantwoordelijkheden zelf kunnen beleggen. Dit alles is in de stichting goed te realiseren.

2a. Werknemerscoöperatie in één keer ingevoerd: Over het oprichten van een werknemerscoöperatie waren niet alle hulpen even enthousiast. Het eigenaarschap dat de leden krijgen opgelegd bij een werknemerscoöperatie, is voor sommige hulpen een grote verantwoordelijkheid. Er lijkt dan ook niet genoeg draagvlak te zijn om alle huishoudelijke hulpen onder te kunnen brengen in één werknemerscoöperatie. Immers, het oprichten van een werknemerscoöperatie gebeurt in principe vanuit de intrinsieke motivatie van de hulpen. Binding van de leden met de werknemerscoöperatie is daarbij essentieel.

2b. Gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie: toelichting conform 2a.

2c. Coöperatie: toelichting conform 1.

3. Innovatietraject met zorgaanbieders Hiervoor geldt dat dit traject voortbouwt op de huidige situatie. De huishoudelijke hulpen hebben echter aangegeven behoefte te hebben aan vernieuwing en daar is deze optie het minst verregaand in.

1.4. Door één organisatie huishoudelijke hulp in één keer te implementeren, zoals bij stichting huishoudelijke hulp, wordt de onrust onder hulpen en cliënten geminimaliseerd;

Binnen alle organisatievormen zal het tijd kosten om de nieuwe manier van werken te implementeren. Daarbij is de manier van implementeren afhankelijk van de organisatievorm. Wanneer er in één keer (stichting, werknemer coöperatie of coöperatie) een nieuwe organisatievorm wordt geïmplementeerd wordt er een duidelijke koers ingezet. Op deze manier kunnen zowel cliënten, hulpen als aanbieders en andere betrokkenen zich hierop in stellen.

Bij een gefaseerde overgang of pilot trajecten zal het langer duren voordat er verandering teweeg gebracht wordt. Fasering kan onzekerheid creëren bij hulpen en bij bestaande aanbieders. Deze onzekerheid kan innovatie en verandering tegen werken.

1.5. Het oprichten van een stichting huishoudelijke hulp voldoet aan de door de raad gestelde kaders en past bij de strategische visie 2017-2020;

In dit voorstel hebben we beoogd de bedoeling en de betekenis van de vernieuwing van de huishoudelijke hulp centraal te stellen. In bijlage 5 hebben we de varianten uit de businesscases gerelateerd aan de door de raad gestelde kaders en uitgangspunten. Daar komen de stichting huishoudelijke hulp middels quasi-inbesteden en het in één keer implementeren van een werknemerscoöperatie als meest optimaal naar voren.

De wensen, uitgedrukt in kaders en uitgangspunten van de Raad zoals vastgesteld op 29 juni 2015, zijn verwerkt in de strategische agenda 2017-2020 in Programma 4: 'Een vitale samenleving, iedereen doet mee'. Daarin wordt gesproken van het voornemen om in 2017 een nieuwe vorm van huishoudelijke hulp in te voeren die stevig is verbonden met de sociale wijkteams en de wijkverpleging, waardoor ook de werkgelegenheid in deze sector kan worden behouden. Daarnaast wordt in programma 4 aangegeven dat de raad en het college willen inzetten op innovatie in de zorg om enerzijds de werkgelegenheid in de zorg te behouden en nieuwe banen te creëren en om anderzijds nog betere zorg en ondersteuning te bieden gericht op het vergroten van de vitaliteit van onze inwoners. De voorkeur voor een stichting komt dan ook voort uit het feit dat quasi-inbesteden de mogelijkheid geeft om te sturen op de implementatie van de kaders en uitgangspunten van de raad. Daarnaast behoudt de gemeente de regie over de uitvoering op organisatorisch, maatschappelijk en financieel niveau en kan het bijsturen indien zij daar reden toe ziet.

2.1. en 3.1. De stichting huishoudelijke hulp kan met het beschikbaar stellen van de oprichtingskosten in januari 2018 starten met de implementatiefase.

Voor de oprichting van de stichting zal de gemeente eenmalig moeten investeren. Deze kosten zijn geschat op € 800.000 (zie bijlage 4 en onder Financiën). De schatting is echter dat deze investering zich terug zal verdienen juist doordat de gemeente de mogelijkheid heeft om middels een stichting de huishoudelijke hulp slim en efficiënt in te richten en hiermee te sturen op de ambitie van de raad. De kosten die uiteindelijk bespaard worden op bijvoorbeeld backoffice kunnen geïnvesteerd worden in verdere innovatie van de huishoudelijke hulp.

2.1, 3.1. Door de keuze te maken voor één organisatievorm is er voor betrokken partijen duidelijkheid over de toekomst en kunnen alle partijen zich daarop voorbereiden;
Vanuit huishoudelijke hulpen en cliënten is er grote behoefte aan een besluit. Zij wachten al geruime tijd op duidelijkheid over hun toekomst. Op dit moment zijn er veel hulpen waarvan het laatste tijdelijke contract weer afloopt. Ook voor cliënten is het belangrijk dat zij weten waar zij aan toe zijn en welke richting de gemeente op gaat met het organiseren van de huishoudelijke hulp. Op basis van de voor- en nadelen en de bijbehorende risico’s omschreven in de businesscase, kan er een afweging gemaakt worden over welke organisatievorm de voorkeur heeft. Deze organisatievorm wordt verder uitgewerkt in de implementatiefase.

2.2,3.2. Het is van belang dat er gekozen wordt voor één organisatievorm zodat de implementatiefase van start kan gaan en de keuze van de raad inhoudelijk, juridisch en financieel geconcretiseerd kan worden;  Wanneer de raad besluit tot een organisatievorm waar Wet Overgang van Onderneming van toepassing is, wordt er in overleg met de huidige aanbieders gewerkt aan het opstellen van een intentieverklaring waarin het vervolgtraject uitgelijnd wordt. Met deze verklaring biedt de gemeente zekerheid aan de aanbieders over de toekomst en kan er gezamenlijk gewerkt worden aan een overgang. Deze zekerheid hebben de aanbieders nodig om de gegevens voor de juridische, financiële en inhoudelijke concretisering beschikbaar te stellen. Zonder expliciete keus van de raad voor één organisatievorm kan die zekerheid niet geboden worden en kan er geen intentieverklaring worden opgesteld.

4.1. De gekozen organisatievorm kan met het beschikbaar stellen van het implementatiebudget in februari 2018 starten met de implementatiefase;
Voor het realiseren van elk van de mogelijke organisatievormen voor de huishoudelijke hulp moet de gemeente eenmalig investeren. Deze kosten zijn geschat en per organisatievorm verschillend (zie bijlage 4 en onder Financiën).

De implementatiefase begin 2018 zal zorgvuldig moeten verlopen maar er is ook enige tijdsdruk. Vooral de huishoudelijke hulpen hebben aangegeven in de gesprekken dat ze snel verandering willen. Ook de aanbieders willen weten waar ze aan toe zijn en zodoende stappen ondernemen tot een soepele overgang. Wanneer het budget nu beschikbaar wordt gesteld kan dit traject in januari direct van start gaan.

Kanttekeningen

1.1 In het kader van de Wet OvO is een eenmalige investering door de gemeente nodig om de stichting op te kunnen richten;

Voor de oprichting van de stichting zal de gemeente eenmalig moeten investeren. Omdat alle hulpen worden overgenomen van huidige aanbieders geldt de Wet OvO, hier zijn implementatiekosten aan verbonden. Hetzelfde geldt voor de werknemerscoöperatie. Deze worden in de financiële analyse van de businesscases uiteen gezet (zie bijlage 4).

1.2 De keuzevrijheid van cliënten voor een aanbieder wordt minder;

De keuze van cliënten voor een aanbieder wordt bij de stichting huishoudelijke hulp en de in één keer geïmplementeerde (werknemers)coöperatie beperkt tot één optie. Via het aanvragen van een Persoonsgebonden budget (Pgb) kan keuzevrijheid toch gegarandeerd worden. Er bestaat een mogelijkheid om vast te laten leggen dat er een overeenkomst met een andere aanbieder wordt aangegaan die een bepaald percentage van de activiteit mag uitvoeren naast de stichting. Hierdoor moet er wel een samenwerkingsrelatie met een tweede aanbieder worden aangegaan, dit doet afbreuk aan de kracht van de eenvoud van het werken met maar één organisatie.

1.3 De indiceringstaak zal weggehaald worden bij Het Plein;
Wmo consulenten voeren op dit moment de indiceringstaak uit namens de gemeente. Wanneer de stichting wordt opgericht zou deze zelf vast gaan stellen welke ondersteuning er nodig is bij een cliënt. Met het inschatten van de frictiekosten is rekening gehouden met de wegvallende taken bij Het Plein (zie bijlage 4).

1.4 De samenloop van verschillende trajecten in het sociaal domein kan consequenties hebben voor de uitvoering van de focusagenda;
In 2017 en 2018 lopen meerdere trajecten die als streefdatum van invoering 1 januari 2019 hebben: het oprichten van het Werkbedrijf Zutphen, stoppen met Het Plein en de toegang Sociaal Domein herijken. Dit kan consequenties hebben voor de uitvoering van de focusagenda. Het college gaat de consequenties en de haalbaarheid van de verschillende trajecten voor de organisatie in beeld brengen. Dit moet leiden tot een realistische planning.

1.5. Indien er geen keuze wordt gemaakt kan er geen verdere juridische en financiële uitwerking plaatsvinden;
Het maken van een expliciete keuze voor een stichting huishoudelijke hulp of (werknemers)coöperatie of innovatietraject zorgaanbieders is essentieel om een verder traject in gang te zetten. Zonder duidelijkheid kan er geen intentieverklaring opgesteld worden. Als gevolg daarvan komen de gegevens die voor de concretisering van de varianten waarbij sprake is van Wet Overgang van Onderneming niet beschikbaar.

Risico’s

  • Met de aanbieders zijn het afgelopen jaar verschillende gesprekken gevoerd. Tijdens deze gesprekken is er geprobeerd om inzage te krijgen in het aantal huishoudelijke hulpen wat in dienst is van de aanbieders om zo tot een zorgvuldige uitwerking van de businesscases te komen. Drie van de zes aanbieders hebben aangegeven geen gegevens aan te willen leveren totdat er meer duidelijkheid is over de koers. Dit betekent dat de kosten voor de huishoudelijke hulpen nog niet met zekerheid berekend kunnen worden. Daarnaast zijn er frictiekosten. Deze hebben normaliter een groot effect op de financiële haalbaarheid van een nieuwe onderneming. Ook deze zijn nu berekend op basis van de gegevens van drie aanbieders in plaats van alle zes. Indien de gemeenteraad besluit om de stichting, of een andere organisatievorm, op te richten zal er met de gegevens van alle aanbieders opnieuw berekend worden wat de exacte kosten zullen zijn.
  • Voorwaarde voor quasi-inbesteden is dat de rechtspersonen waaraan wordt gegund een zodanige relatie hebben met de gemeente dat ze beschouwd kunnen worden als gemeentelijke dienst. Dit betekent dat de gemeente, wanneer wordt gekozen voor een stichting huishoudelijke hulp, meer dan nu verantwoordelijk wordt voor de kwaliteit van de uitvoering van de huishoudelijke hulp maar ook voor de positie en de arbeidsvoorwaarden van de hulpen en de werkgelegenheid m.b.t. de huishoudelijke hulp. Dit brengt politieke en bedrijfsorganisatorische risico’s met zich mee. In bijlage 7: Risicoanalyse businesscases zijn de risico’s met betrekking tot de businesscases uiteengezet en de beheersmaatregelen beschreven aan de hand waarvan de risico’s tot een minimum beperkt kunnen worden.
  • Uit de risicoanalyse, opgesteld door advocaat Tim Robbe, is gebleken dat er een aantal juridische risico's zijn verbonden aan het op- en inrichten van een stichting huishoudelijke hulp (zie bijlage 6: Juridische risicoanalyse stichting huishoudelijke hulp). Deze risico's zijn echter voldoende te beheersen casu quo aanvaardbaar indien de maatregelen worden getroffen zoals omschreven in de risicoanalyse.
  • Het risico bestaat dat de aanbieders ook nadat er door de Raad een koers is bepaald geen medewerking verlenen aan het aanleveren van gegevens of de overdracht van de huishoudelijke hulpen. In de huidige overeenkomst en in artikel 2.6.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is echter vastgelegd dat de huidige zorgaanbieders, in het geval dat een andere partij dan henzelf de opdracht gegund krijgt, in overleg moeten over de overdracht van cliënten en hulpen.
  • Aanbieders kunnen de keuze maken om tussen 1 september 2018 en 1 maart 2019 geen verlenging meer aan te gaan van het contract. Om hiervoor te waken zal er met de aanbieders zo snel mogelijk nadat er een besluit is genomen door de raad, worden overlegd hoe zij hier tegenaan kijken.
  • Onlangs is bekend geworden dat in het regeerakkoord is vastgelegd dat de eigen bijdrage voor de Wmo zal worden aangepast van een inkomensafhankelijke eigen bijdrage naar een vaste eigen bijdrage van €17,50 per 4 weken voor elke inwoner. Wat de gevolgen hiervan op termijn zijn voor het aantal aanvragen huishoudelijke hulp en het verlies aan inkomsten eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp is nog niet bekend. In het regeerakkoord is aangegeven dat gemeenten hiervoor financieel gecompenseerd gaan worden. Het effect op de businesscases is in alle scenario’s gelijk. In de businesscases is gerekend met de huidige eigen bijdrage omdat er op dit moment te weinig bekend is over de gevolgen van deze wijziging.
  • Onlangs is een nieuwe cao VVT vastgesteld waarin in vastgelegd dat de huishoudelijke hulpen voortaan in een hogere functieschaal worden ingedeeld. Dit zal financiële gevolgen hebben omdat de loonkosten hierdoor omhoog gaan. Ook hier zullen gemeenten financieel voor gecompenseerd worden, maar het is nog niet duidelijk om welk bedrag het gaat en wanneer dit wordt betaald. Het effect op de businesscases is in alle scenario’s gelijk. In de businesscases is gerekend met de huidige inschaling.

Communicatie/Vervolgtraject/Uitvoering

Na besluitvorming zal een start worden gemaakt met de implementatie van de stichting huishoudelijke hulp of een andere organisatievorm. Hiervoor zal een implementatieplan worden opgesteld en een vertegenwoordiging van cliënten, de huishoudelijke hulpen, het Platform Maatschappelijke Ondersteuning (nu: Platform Sociaal Domein) en ook Het Plein en Stichting Perspectief zullen worden uitgenodigd om hierover mee te denken. Ook de cliënten en mantelzorgers zullen hierbij worden betrokken.

Daarnaast zal na de besluitvorming met het team Communicatie een communicatieplan opgesteld worden voor de implementatiefase. Huishoudelijke hulpen, cliënten, aanbieders en andere betrokkenen zullen zo snel mogelijk geïnformeerd worden over het besluit van de raad en wat dit betekent voor hen. In het communicatieplan voor de implementatiefase zal worden vastgelegd wanneer en op welke wijze de pers zal worden ingelicht. Omdat het een geheel nieuwe wijze van uitvoeren van de huishoudelijke hulp betreft, waarvoor in Nederland nog niet eerder lijkt te zijn gekozen, verwachten we veel pers-aandacht.

Uit de juridische analyse kwam naar voren dat er voor de oprichting van een stichting een aantal maatregelen getroffen moeten worden om de juridische risico's goed te kunnen beheersen (zie bijlage 6). De meeste van deze maatregelen zullen worden uitgewerkt in het implementatieplan maar er zijn ook een aantal besluiten nodig van de gemeenteraad. Deze zullen begin februari april 2018 aan de raad worden voorgelegd. De raad zal in het vervolgtraject op de hoogte gehouden worden van de vorderingen wat betreft de implementatiefase.

Het streven is om de stichting per 1 maart 2019 te laten starten met de uitvoering van de huishoudelijke hulp. Onze huidige overeenkomst huishoudelijke hulp loopt tot 1 september 2018 maar kan stilzwijgend met een half jaar worden verlengd tot 1 maart 2019 zodat beide overeenkomsten op elkaar aansluiten.

Rapportage/evaluatie

In de eerste fase, lees implementatie en oprichtingsfase, is evalueren essentieel voor het proces en de creatie van draagvlak bij alle betrokkenen. Vooral cliënten en huishoudelijke hulpen zullen gevraagd worden om te reflecteren op dit proces. Voor beide groepen betekent de verandering met betrekking tot de toekomst van de huishoudelijke hulp het oprichten van een stichting veel. De gevolgen voor deze twee groepen zullen daarom regelmatig in kaart worden gebracht. Dit kan gebruikt worden om het proces bij te sturen. Ook dit is een vorm van co-creatie. Met elkaar in plaats van voor elkaar denken en creëren.

Wanneer de stichting eenmaal in uitvoering is zullen jaarlijkse evaluaties onderdeel zijn van de bedrijfsvoering. De uitkomsten hiervan zullen worden verwerkt in de stukken voor de Burap, de begroting en de jaarrekening.

Financiën

De schattingen voor de oprichting of uitvoering van de verschillende organisatievormen zijn weergegeven in bijlage 4. Wanneer de raad een keuze heeft gemaakt voor een organisatievorm zal het benodigde implementatiebudget ten laste worden gebracht van de reserve sociaal domein. Hieronder staat per organisatievorm weergegeven hoe hoog het implementatiebudget is.

1. Stichting: Voor het oprichten van een stichting (of coöperatie) zal de gemeente een investering doen van € 800.000 (zie bijlage 4). Dit bestaat uit een schatting voor diverse implementatiekosten van € 800.000. Een nieuwe onderneming opzetten vraagt om een investering vanuit de gemeente. Uit de schattingen blijkt nu dat er een gezonde onderneming operationeel kan zijn waarbij aan kaders van de raad voldaan kan worden. Tevens kan de gemeente, doordat de stichting een uitvoeringskostenplafond van 15% hanteert, de implementatiekosten terugverdienen en investeren in de verdere ontwikkeling van de huishoudelijke hulp.

Het bedrag van € 800.000 zal ten laste worden gebracht van de reserve sociaal domein.Met deze investering heeft de gemeente de mogelijkheid om de ambitie en visie uitgewerkt in de kaders en uitgangspunten in de aankomende jaren door te voeren. Met de sturing die middels quasi-inbesteden mogelijk is kan de gemeente op organisatorisch, maatschappelijk en financieel niveau de mate bepalen waarin zij wil investeren en innoveren in de huishoudelijke hulp.

2a. Werknemerscoöperatie: Voor de oprichting van een werknemerscoöperatie zal de gemeente een geschat bedrag van € 785.000 moeten investeren. Omdat er vanuit wordt gegaan dat de werknemerscoöperatie de backoffice inkoopt bij een bestaande organisatie zijn de implementatiekosten lager. Echter staat de werknemerscoöperatie op zichzelf en is de gemeente alleen betrokken bij de oprichting. Daardoor heeft de gemeente niet de mogelijkheid om deze kosten terug te verdienen.

2b. Voor de gefaseerde werknemerscoöperatie zal de gemeente moeten investeren in de pilot en de uiteindelijke overgang. Dit komt op een geschat totaal bedrag van € 855.000.

2c. Coöperatie: conform 1.

3. Innovatietraject met zorgaanbieders: De gemeente zal een innovatiebudget beschikbaar moeten stellen aan de deelnemende aanbieders. Het innovatietraject met aanbieders zal bestaan uit verschillende pilots. Voor een eerste pilot van een half jaar waarop er op een specifiek thema geïnnoveerd wordt zal er een geschat bedrag van €125.000 euro geïnvesteerd moeten worden. Dit bedrag omvat de personele kosten die aanbieders kwijt zijn aan de pilot, de scholing en training van hulpen. Daarnaast moet er een procesbegeleider worden betrokken die de aanbieders begeleidt.

Bijlagen

1)      Bijlage 1: Begrotingswijziging 2018-2
2)      Bijlage 2: Uitgangspunten en kaders huishoudelijke hulp
3)      Bijlage 3: Vastgestelde wensen en bedenkingen en amendementen
4)      Bijlage 4: Businesscase stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders
5)      Bijlage 5: Kaders versus inkoopmogelijkheden en aandachtspunten
6)      Bijlage 6: Juridische risicoanalyse Stichting Huishoudelijke Hulp
7)      Bijlage 7: Risicoanalyse businesscases

Bijlagen

Bijlage 1 - Begrotingswijziging 2018-2
Bijlage 2 - Uitgangpunten en kaders huishoudelijke hulp
Bijlage 3 - Vastgestelde wensen en bedenkingen en amendementen
Bijlage 4 - Businesscase stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders
Bijlage 5 - Kaders versus inkoopmogelijkheden en aandachtspunten
Bijlage 6 - Juridische risicoanalyse Stichting Huishoudelijke Hulp
Bijlage 7 - Risicoanalyse businesscases
90656RH 2017_BW_00678
2017 12 01 Beantwoording technische vragen raadsvoorstel huishoudelijke hulp
Begrotingswijziging 2018-02 (NW)
Petitie Wij_ thuiszorgers_ cliënten

Ontwerp

Besluit

Griffienummer: 2017-0158

De raad van de gemeente zutphen,


gelezen het voorstel van het college van burgemeester & wethouders van 15 november 2017 met nummer 90656;


  • het raadsbesluit: 'toekomst van de huishoudelijke hulp', vastgesteld d.d. 29 juni 2015 met nummer 62353;
  • het raadsbesluit: 'Oprichten stichting huishoudelijke hulp Zutphen' vastgesteld d.d. 13 februari 2017 met nummer 2016-0160;


b e s l u i t :

  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders (zie bijlage 4);
  2. Te kiezen voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp middels quasi-inbesteden, en deze stichting de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een bedrag van € 800.000 als implementatiebudget beschikbaar te stellen voor de oprichting van de stichting huishoudelijke hulp en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.

OF (optie b)

  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders;
  2. Te kiezen voor de vorming van één werknemerscoöperatie middels een begrotingssubsidie, en deze werknemerscoöperatie de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een implementatie budget van € 785.000,- beschikbaar te stellen en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.

 OF (optie c)

  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders;
  2. Te kiezen voor de vorming van een gefaseerd ingevoerde werknemerscoöperatie middels een begrotingssubsidie, en deze ten dele de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een implementatie budget van € 855.000,- beschikbaar te stellen en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.

OF (optie d)

  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders;
  2. Te kiezen voor de vorming van een coöperatie middels een begrotingssubsidie, en deze coöperatie de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een implementatie budget van€ 800.000,- beschikbaar te stellen en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.

OF (optie e)

  1. Kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders;
  2. Te kiezen voor het uitvoeren van een innovatietraject met aanbieders, en deze aanbieders de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren;
  3. Een implementatie budget van € 125.000,- beschikbaar te stellen en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen;
  4. De begroting 2018 conform beslispunt 3 te wijzigen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van

de raad van de gemeente zutphen,

gehouden op:



de voorzitter,de griffier,

Forum van 4 december 2017


Toelichting griffie:

De Raad heeft in 2015 kaders gesteld om de huishoudelijke hulp toekomstbestendig te maken. Om te kunnen bepalen wat voor soort organisatie hiervoor nodig is, zijn drie organisatievormen uitgewerkt. Het college adviseert de Raad om uit deze drie varianten te kiezen voor de Stichting Huishoudelijke Hulp.

Naast de stichting zijn ook business cases uitgewerkt voor een (werknemers)coöperatie en een innovatietraject met bestaande zorgaanbieders. De Raad maakt een keuze voor één van de organisatievormen voor huishoudelijke hulp.

De raad wordt voorgesteld kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders, en te kiezen voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp middels quasi-inbesteden, en deze stichting de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren. Tevens wordt de raad voorgesteld een bedrag van € 800.000 als implementatiebudget beschikbaar te stellen voor de oprichting van de stichting huishoudelijke hulp en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen en daartoe de begroting 2018 conform voornoemde te wijzigen.

Het beschikbaar stellen van krediet en hiertoe de begroting overeenkomstig te wijzigen is een bevoegdheid van de raad op grond van artikel 189 en volgende van de Gemeentewet.


Raadsadviseur: M.J.E. van den Berg-Platzer

Datum: 04-12-2017
Tijd: 19:00 - 20:00
Zaal: Commissiekamer
Behandeling: Oordeelsvormend
Openbaarheid: Openbaar
Voorzitter: H.W. Hissink
Griffier: J Kerkhof

Aanwezig namensNaam
BurgerbelangM.G.S. Siemes
SPM.J. ten Broeke
D66G.I. Timmer
PvdAJ. Bloem
GroenLinksL. Luesink
StadspartijD. Bogerd
VVDA. van Dijk
CDAK.M. Warmoltz
ChristenUnieA. van Dijken
BewustZWA.W. Jansen
Lijst van VlietF. van Vliet
Fractie Pepers en VerwoortA.IJ. Pepers

Portefeuillehouder(s): P Withagen
Ondersteuners: M Hagen
Pers: ja
Publiek: 46 personen
Insprekers: ja

Verslag van de vergadering

De voorzitter opent de vergadering en licht toe dat het in dit forum gaat om het voorstel van het college een keuze te maken voor een organisatievorm voor de uitvoering van huishoudelijke hulp. Het college heeft daarbij een voorkeur aangegeven voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp. Er zijn technische vragen gesteld en de beantwoording daarvan is bij de stukken gevoegd. Verder is er een ingekomen brief over dit onderwerp die op de lijst ingekomen stukken is geplaatst.

De voorzitter geeft het woord aan de eerste inspreker, dhr. Oosterkamp van de Branchevereniging BTN. Zijn bijdrage is als bijlage bij dit verslag gevoegd.

De voorzitter geeft gelegenheid tot het stellen van verduidelijkende vragen.

SP: Heeft veel argumenten gehoord. Waarom zouden we als gemeente de thuiszorg aan bedrijven overlaten, in plaats van dat we het geld direct ten goede laten komen aan de zorg voor de gebruikers via een stichting.

dhr. Oosterkamp: Gemeenten hebben al veel macht. De gemeente kan al bepalen welke zorg mensen krijgen en hoeveel zorg mensen krijgen. Daar komt dan nu ook bij dat gemeente bepaalt welke aanbieder deze zorg moet leveren. De kosten blijf je houden; het gaat er uiteindelijk om dat er mensen zijn die dit werk moeten doen.

Stadspartij: Welke voorkeur heeft BTN?

dhr. Oosterkamp: Zit hier als vertegenwoordiger van de huidige aanbieders. Hij geeft aan dat er volgens hem nu meer waarborgen aanwezig zijn bij de uitvoering door marktpartijen en dus ook meer zekerheden voor werknemers. Hij ziet grote risico's in de door het college voorgestelde richting.

PvdA: Heeft dhr. Oosterkamp een voorbeeld dat het interbestuurlijke toezicht anders werkt sinds de invoering van de AMvB?

dhr. Oosterkamp: Daar zijn nu geen concrete voorbeelden van. Het is logisch dat het ministerie daar zeer terughoudend mee omgaat. Wel is er door BTN met vakbonden, werkgevers en VNG gezamenlijk een rekentool ontwikkeld voor gemeenten, zodat men niet teveel gaan betalen. Verder is er een regiegroep ingericht, die gaat volgen hoe het lukt de AMvB in de praktijk toe te passen.

D66: Is er een voorbeeld te geven dat de AMvB gaat werken? En wat hebben organisaties nodig om medewerkers in vaste dienst te nemen?

dhr. Oosterkamp: De beste indicatie voor de werking van de AMvB is wat het effect is op het tarief. De tarieven zijn in het hele land aan het stijgen. Het tarief gaat nu richting €25 a €26. Voor het aanstellen van werknemers op basis van vaste contracten zijn goede relaties met gemeenten nodig en afspraken voor langere duur van de contracten. 1 a 2 jaar is te kort. Meer zekerheid is te bieden op basis van contracten van 3 tot 5 jaar.

ChristenUnie: Welke risico's loopt de gemeente bij de keuze voor huishoudelijke hulp in de vorm van een stichting.

dhr. Oosterkamp: Verwijst naar de inspreekbijdrage waarin hij vijf risico's heeft genoemd. Met een stichting pint de gemeente zich vast aan een structuur, het aannemen van medewerkers in vaste dienst en een uitgavenniveau waar je weinig invloed op hebt. Er zit geen flexibiliteit in. Daarnaast zitten gemeenten met het uitvoeren van taken in het sociaal domein al in zwaar weer. Verder wijst hij er op dat het niet de specialiteit is van een gemeentebestuur om een organisatie van huishoudelijke hulp aan te sturen. Dat is een ander vak. Je veegt de kennis van de partijen die dit uitvoeren van tafel.

De voorzitter geeft het woord aan de tweede inspreker, mevr. Leunk.

Mevr. Leunk is werkzaam als huishoudelijke hulp in Zutphen. Haar bijdrage is als bijlage bij het verslag gevoegd.

De voorzitter geeft gelegenheid tot het stellen van verduidelijkende vragen.

De Fractie Pepers en Verwoort vraagt of er met medewerkers van de thuiszorg is gesproken over een werknemerscorporatie.

mevr. Leunk: Er zijn gesprekken geweest met deskundigen en collega's. Als huishoudelijke hulp zit zij er niet op te wachten zich ook nog druk te moeten maken over alle rompslomp daaromheen.

Fractie Pepers en Verwoort: Is er na 5 oktober nog tekst en uitleg gegeven hoe een werknemerscorporatie werkt?

Mevr. Leunk geeft aan dat dit niet is gebeurd.

De voorzitter gaat over tot behandeling van het voorstel.

VVD: Is teleurgesteld over het huidige voorstel met een beperkte uitwerking van alternatieve keuzes. Hierbij krijgt de fractie het gevoel in een fuik te worden gezogen. Er wordt alleen maar ontmoedigd om een keuze te maken. Alternatieven zijn niet serieus overwogen en worden van tafel geveegd.

College: Vindt het jammer dat het voorstel zo ervaren wordt. Terugkijkend op de forumspecial over dit onderwerp en de periode erna heeft het college heel serieus gekeken naar de verschillende varianten. Op 5 oktober was er nog geen sprake van een nadrukkelijke voorkeur en er is met een open mind gekeken naar de alternatieven. Bekeken vanuit het doel om het beter te doen is er gaandeweg een voorkeur ontstaan voor de stichting. Daarbij heeft het college ervoor gekozen om bij elke variant aan te geven welke afweging er is gemaakt, zodat de raad daar zelf ook een afweging in kan maken. Het college betreurt het dat dit niet zo over komt.

VVD: De teksten zijn zodanig dat andere opties geen recht worden gedaan en er zijn absoluut onvoldoende gegevens over de alternatieven weergegeven.

SP: Er is nog steeds gelegenheid een keuze te maken. Het college heeft alleen een voorkeur uitgesproken. Het staat iedereen vrij elkaar te overtuigen dat een andere keuze beter is.

D66: In december 2016 heeft het college in De Stentor reeds aangekondigd met een primeur te komen over de stichting voor huishoudelijke hulp.

College: Dit lag destijds als uitdrukkelijke voorkeur op tafel. Daarna is erover gedebatteerd, met als uitkomst dat het college de opdracht kreeg alternatieven uit te werken. Daar is het college oprecht mee aan de slag gegaan en heeft dat in het huidig voorstel uitgewerkt.

PvdA: Vindt het niet vreemd dat het college een duidelijke voorkeur uitspreekt voor een stichting. Nodigt de andere fracties uit hun voorkeur uit te spreken en de discussie te voeren over de inhoud.

VVD: Wil het wel over de inhoud hebben, maar niet in dit stadium.

Burgerbelang: Er is nog nergens een stichting aanwezig voor het uitvoeren van de huishoudelijke hulp. Het is daarom verstandig dit met enige reserve te benaderen en voor de raad ook van belang om de informatie over de nadelen te hebben.

Fractie Pepers en Verwoort: Had gehoopt dat er nog een businesscase met de andere opties zou worden voorgelegd. De fractie had de verwachting dat er na 5 oktober nog met hulpen, organisaties e.d. gesproken zou worden en heeft niet de indruk dat dit daadwerkelijk gebeurd is.

Het college snapt de vraag, maar geeft aan dat zij merken dat de hulpen het praten wel een beetje moe zijn. Zij willen graag dat de raad de knoop doorhakt. Na een beslissing van de raad kan de keuze verder worden uitgewerkt. Er is ook gesproken met deskundigen en organisaties, maar ook daar merkt het college dat niet alle organisaties willen meewerken en eerst de keuze van de raad afwachten. Daarom kan er nu ook slechts een inschatting van de kosten worden gemaakt. De organisaties hebben wel aangegeven na de keuze in het belang van cliënten en medewerkers hun medewerking te willen verlenen.

Lijst Van Vliet: Meldt dat ook de FNV bij de gesprekken was betrokken. De voorkeur gaat uit naar de stichting, want de investering van €800.000 is dit waard.

GroenLinks: Stelt voor om het te hebben over de inhoud. Het college toont nu visie en lef en laten we daar het gesprek over houden in plaats van te blijven praten over het proces.

D66: Staat voor goede zorg en werkgelegenheid, goed financieel beleid en keuzevrijheid. De fractie maakt zich grote zorgen dat bij keuze voor de stichting er over een paar jaar geconcludeerd wordt dat er tonnen bij moeten met als gevolg dat cliënten geen zorg krijgen en de hulpen weer zonder werk komen te zitten. D66 pleit voor het werken met werknemerscorporaties.

GroenLinks vraagt ten aanzien van de werknemerscorporatie hoe dit uitgevoerd zou moeten worden; dit werkt alleen vanuit intrinsieke motivatie en die blijkt er niet te zijn.

D66 geeft aan dat daar iets naast moet. Bovendien is het niet zo dat alle hulpen dit niet willen. Daar wordt nu te gemakkelijk van uit gegaan.

SP: Is blij met het plan van het college. Daarmee gaat er echt iets veranderen door de commerciële partijen er tussenuit te halen.

Burgerbelang: Vindt het geen kwestie van lef om ergens blind in te stappen. De fractie wijst er op dat het nu ook al jaren duurt voordat een besluit wordt genomen. Dat roept vragen op over de werkelijke mate van invloed die als een van de argumenten voor een stichting wordt aangevoerd.

Fractie Pepers en Verwoort: Ziet graag een businesscase uitgewerkt voor de werknemerscorporatie en dan kan men snel een besluit nemen.

Stadspartij: Van de vijf scenario's is de laatste te weinig uitgewerkt over wat er met innovatie en zekerheid bereikt kan worden. De pilot met een corporatie is de meest onduidelijke vorm van de gepresenteerde uitwerkingen. De werknemerscorporatie kan niet op steun rekenen van de medewerkers. Dan blijven de stichting en de corporatie over en daarvan neigt de Stadspartij naar de stichting vanwege het voordeel dat hierbinnen de samenwerking het eenvoudigst is.

ChristenUnie: Is er ook aan gedacht om met een corporatie met certificaten te werken? In hoeverre is er een kans dat de gemeente corporaties achter zich aan krijgt met juridische procedures? En waar besluiten we straks toe?

PvdA: Ten aanzien van keuzevrijheid wordt opgemerkt dat mensen niet willen kunnen kiezen tussen aanbieders, maar wie hun hulp is. Welke mogelijkheden zijn er voor deze keuze voor de stichting en hoe zit dit met zelfsturende teams?

VVD: Voor werknemerscorporaties zijn ook landelijke organisaties actief die dergelijke vormen ondersteunen. Door dit niet in de afweging te betrekken wordt de discussie scheef getrokken.

Het college zegt van alles verder te kunnen uitwerken. In de discussie over de werknemerscorporaties heeft het college toch het gevoel overgehouden dat het werken met één organisatie die de huishoudelijke hulp uitvoert het meest overzichtelijk is. Als je de huishoudelijke hulp voor heel Zutphen in één organisatie wilt organiseren, dan dwing je daarmee bij de keuze voor een werknemerscorporatie alle huishoudelijke hulpen om daarin deel te nemen. Er is daarom ook een optie uitgewerkt met een gefaseerde invoering van de werknemerscorporatie. Die heeft echter niet de voorkeur. Die ligt bij het werken met één organisatie waarbij de duidelijkheid hiervan een groot voordeel is.

VVD: Er zit een heleboel onder het werken met één organisatie dat niet overzichtelijk en eenvoudig is. Er wordt alleen gekeken naar het totaal van de stichting tegenover het totaal van de werknemerscorporatie. Het ontbreekt in flexibiliteit van denken hierin. De voorkeur van de VVD ligt niet in optie 1 maar wel in optie 2 en 3. Het is een groot voordeel als je niet in een eigen stichting opgesloten zit. De VVD verwijst ook naar het traject en de ontwikkeling van Perspectief.

De voorzitter concludeert dat het voorstel nog niet rijp is voor behandeling in de raad en schorst de vergadering. De behandeling van het voorstel wordt over twee weken vervolgd en gaat dan onder voorbehoud door naar de raad. Als dat niet kan, wordt behandeling in de raad doorgeschoven naar januari. 

 

  

 

 

 

 


Bijlagen


Advies

Onvoldoende besproken. Nogmaals in oordeelsvormende forumvergadering bespreken


Forum van 18 december 2017


Toelichting griffie:

De Raad heeft in 2015 kaders gesteld om de huishoudelijke hulp toekomstbestendig te maken. Om te kunnen bepalen wat voor soort organisatie hiervoor nodig is, zijn drie organisatievormen uitgewerkt. Het college adviseert de Raad om uit deze drie varianten te kiezen voor de Stichting Huishoudelijke Hulp.

Naast de stichting zijn ook business cases uitgewerkt voor een (werknemers)coöperatie en een innovatietraject met bestaande zorgaanbieders. De Raad maakt een keuze voor één van de organisatievormen voor huishoudelijke hulp.

De raad wordt voorgesteld kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders, en te kiezen voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp middels quasi-inbesteden, en deze stichting de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren. Tevens wordt de raad voorgesteld een bedrag van € 800.000 als implementatiebudget beschikbaar te stellen voor de oprichting van de stichting huishoudelijke hulp en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen en daartoe de begroting 2018 conform voornoemde te wijzigen.

Het beschikbaar stellen van krediet en hiertoe de begroting overeenkomstig te wijzigen is een bevoegdheid van de raad op grond van artikel 189 en volgende van de Gemeentewet.

Deze vergadering is een voortzetting van de geschorste vergadering van 4 december 2017.

Aan het eind van het Forum zal de voorzitter vragen of het voorstel voldoende is besproken voor besluitvorming door de raad op 18 december 2017.


Raadsadviseur: M.J.E. van den Berg-Platzer

Datum: 18-12-2017
Tijd: 20:00 - 21:00
Zaal: Warnsveldzaal
Behandeling: Oordeelsvormend
Openbaarheid: Openbaar
Voorzitter: H.W. Hissink
Griffier: J Kerkhof

Aanwezig namensNaam
BurgerbelangM.G.S. Siemes
SPM.J. ten Broeke
D66G.I. Timmer
PvdAJ. Bloem
GroenLinksL. Luesink
StadspartijG.J.H. Pelgrim
VVDA. van Dijk
CDAK.M. Warmoltz
ChristenUnieA. Oldenkamp
BewustZWA.W. Jansen
Lijst van VlietF. van Vliet
Fractie Pepers en VerwoortA.IJ. Pepers

Portefeuillehouder(s): P Withagen
Ondersteuners: M Hagen
Pers: ja
Publiek: 50 personen
Insprekers: nee

Verslag van de vergadering

De voorzitter heropent de op 4 december jl. geschorste vergadering.

Het college gaat allereerst in op de nog onbeantwoorde vragen uit de geschorste vergadering. Het college geeft aan het van belang te vinden goed te luisteren en op te halen wat de opvattingen van de raad zijn en dat het gesprek hierover plaats vindt tussen de fracties. Daardoor zullen vermoedelijk niet alle vragen beantwoord kunnen worden tijdens deze behandeling. Het college zal na vanavond schriftelijk reageren op de vanavond gestelde vragen.

In reactie op de openstaande vragen geeft het college het volgende aan. Het college deelt de opvatting van Burgerbelang dat het een hele stap is om tot oprichting van een stichting over te gaan en dat dit ook een spannende is omdat Zutphen de eerste gemeente zou zijn die hiervoor zou kiezen. Zoals Burgerbelang aangeeft is het college ook niet van plan hier blind in te stappen. Daarom maakt het ook een inschatting van de nadelen en risico's die hieraan verbonden zijn. Het lastige is dat er nu nog grote onzekerheden zijn over kosten als het overnemen van personeel en frictiekosten. Een goede inschatting is pas mogelijk na een besluit van de raad. Dat is het eerste wat het college dan te doen staat. Het college schat in circa 3 maanden nodig te hebben om dit in beeld te krijgen en dan wordt duidelijk of de risico's groter zijn dan was gedacht. Op de vraag van de ChristenUnie of de optie van een werknemerscoöperatie met certificaten is meegenomen geeft het college aan dat dit tot de uitwerking hoort als voor deze optie gekozen wordt. Deze vorm kan daarbij verkend worden en het college dankt de fractie voor de suggestie. Met betrekking tot het risico aansprakelijk gesteld te worden voor een eventueel faillissement van een van de huidige aanbieders meldt het college dat er dan sprake moet zijn van onrechtmatig handelen en een causaal verband. Van onrechtmatig handelen is in dit geval geen sprake; het gaat om een democratisch genomen besluit van een bestuursorgaan. Bovendien is het risico beperkt doordat nu alleen met landelijke aanbieders gewerkt wordt. Dat een eventueel faillissement veroorzaakt zou worden door een besluit in Zutphen lijkt moeilijk hard te maken. Daar moeten dan meerdere oorzaken aan ten grondslag liggen. Tot slot meldt het college grote waarde te hechten aan een klik en vertrouwen tussen hulp en cliënt. Het college wil dit borgen door het voeren van intakegesprekken. Dit is een belangrijk aandachtspunt bij iedere variant.

De VVD vraagt wat het college bedoelt met een werknemerscoöperatie. Volgens de VVD is het nooit de inzet geweest van de bespreking om dit als één coöperatie voor de totale huishoudelijke hulp in Zutphen te organiseren, maar zou het om kleinere eenheden gaan.

Naar het oordeel van het college is er over verschillende vormen gesproken. Het college wijst er op dat ook in gesprekken met Help Gewoon aan de orde is geweest en dit best als mogelijkheid werd gezien. Naar aanleiding van de bijeenkomst van 5 oktober en de overige gesprekken die over dit onderwerp zijn gevoerd ziet het college verschillende uitwerkingsmogelijkheden. Daarbij zijn alle vormen nog mogelijk, van 1 werknemerscoöperatie tot meerdere, een gefaseerde invoering of combinaties.

D66: Uitgangspunten zijn goede zorg voor cliënten en goede arbeidsvoorwaarden voor medewerkers. Ook hecht D66 aan keuzevrijheid en uit een ronde door de stad blijkt dat mensen niet willen dat de gemeente dit bepaalt. Er zitten verschillen in randvoorwaarden en werkwijzen van organisaties. Dit gaat ook over verschillen in expertise en kennis. D66 heeft moeite met het financiële plaatje. Welke keuzes worden gemaakt? Na het oprichten van een stichting is nog maar 3 ton beschikbaar. Dit betekent dat er andere belangrijke trajecten niet kunnen worden uitgevoerd. Wat doet het college in het worst-case scenario, als blijkt dat de kosten hoger zijn dan geraamd; volgens D66 zijn de financiële risico's te groot en is de haalbaarheid een groot risico. Het geld kan beter daadwerkelijk aan zorg worden besteed dan aan het opzetten van een stichting. D66 wil een goede vergoeding geven op basis van de AmvB, waardoor aanbieders overeind blijven en innovaties kunnen bieden en zodat de keuze vrijheid overeind blijft. De fractie roept het college op om ook vooral naar de gemeenten in de omgeving te kijken.

SP: Mensen willen kunnen kiezen voor de persoon die bij hen thuiskomt. Het gaat hen niet om de organisatie die de zorg biedt. Het gaat om de mensen die het werk doen, niet om de randvoorwaarden en middelen.

Fractie Pepers/Verwoort: In Heerlen werkt men met een collectief van zorgaanbieders. Elke organisatie heeft zijn eigen specialisme. Daar wordt gezocht naar de synergie tussen de aanbieders, om gezamenlijk tot de beste zorg te komen. De Fractie citeert enkele passages uit een brief van de FNV. De fractie concludeert hieruit dat het een illusie is dat aanbieders vrijwillig mee gaan werken aan een stichting die in feite een overname pleegt. De fractie vraagt zich af of voldoende inzichtelijk is wat de risico's zijn van het opzetten van een stichting. De fractie spreekt zich uit niet voor een stichting voor huishoudelijke hulp, maar wel voor een collectief van werknemerscoöperatie waarbij ruimte is voor innovatie en die gericht is op samenwerking.

CDA: Er is op een aantal punten onvoldoende informatie. De businesscases zijn onvolledig; sommige alternatieven zijn onvoldoende uitgewerkt, enkele opties worden helemaal niet genoemd. Daarom kan de fractie op dit moment geen weloverwogen keuze maken. Daar heeft het de expertise ook niet voor in huis. Bovendien is er sprake van grote verdeeldheid tussen de fracties en mist het CDA een gemeenschappelijke richting. Het CDA vraagt wat het college kan doen om meer draagvlak te creëren; hoe het de expertise van de organisatie kan waarborgen; of de implementatietijd niet te krap is; en of er ruimte is om een pilot te houden met zelfsturende teams? Verder vraagt de fractie hoe tussentijdse sturing door de raad mogelijk is? En hoe huishoudelijke hulp zich bij verdeling van geld in zwaarte verhoudt tot andere bestemmingen, zoals bijvoorbeeld thuiszorg? De fractie kan nu niet zeggen of ze voor of tegen een stichting is en wil de risico's helder hebben voor dat zij een keuze maakt.

BewustZW: Er is al een stichting en dat is de Stichting Perspectief. Die kan verder geprofessionaliseerd worden en deze taak invullen. Er hoeft dan geen nieuwe stichting opgezet te worden. Bovendien is Stichting Perspectief reeds in de haarvaten van de Zutphense samenleving bekend. Dit kan onderzocht worden. Tevens wijst BewustZW op de recent vastgestelde begroting waarin 8 miljoen aan ruimte is gereserveerd. Geef hier helderheid over.

VVD: De relatie gemeente - Perspectief is een heel andere dan wat nu voorligt. Het gaat om een vierjaarlijkse subsidierelatie en is niet vergelijkbaar.

D66: Heeft ook over deze optie nagedacht. Daarover ook gesproken met Perspectief en zij vinden dit zelf niet passend.

ChristenUnie: Er ligt een principiële keuze voor. Het gaat om het bieden van zekerheid aan mensen die als huishoudelijke hulp werken. Om mensen die hulp krijgen continuïteit te bieden. En om van de aanbestedingen af te zijn. Daar is door het college onderzoek naar gedaan. Daaruit blijkt in essentie dat er een positieve businesscase is voor het vormgeven van huishoudelijke hulp in de vorm van een stichting. Als we met deze uitkomst de keuze hiervoor niet willen maken, had men dit vooraf aan moeten geven. Dan was het onderzoek niet nodig geweest. De ChristenUnie betoogt dat zorg niet geschikt is voor marktwerking. Als je het overlaat aan de markt worden bij tegenslag de risico's altijd afgewenteld op medewerkers en cliënten. De ChristenUnie opteert voor de stichting en accepteert de daaraan verbonden risico's. Deze zijn volgens de fractie ook te relativeren, zeker in vergelijking met andere projecten. Wel zou de fractie de optie van de coöperatie nog wat nader uitgewerkt hebben; die is nu onderbelicht. Maar primair vindt men het goed als de gemeente deze taak overneemt.

Lijst Van Vliet: Sluit zich aan bij de ChristenUnie. De fractie pleit voor snelle besluitvorming. De huishoudelijke hulpen verdienen het nu meer zekerheid te krijgen. Tevens moeten zij niet opgezadeld worden met allerlei administratieve taken.

SP: Gelooft er niet in wat er nog meer aan informatie moet komen. Dit zal niet van invloed zijn op de standpunten. De richting en het idee is duidelijk. De SP vindt dat er nu zo snel mogelijk een besluit moet komen, zodat het college ermee aan de slag kan.

VVD: Vanwege gebrek aan tijd kan niet het volledige betoog gehouden worden waarom een stichting niet de juiste keus is. Het betoog is voor anderen beschikbaar. De fractie licht er een paar uit: het is in strijd met de uitgangspunten van het coalitieakkoord. Verder is er sprake van een stapeling aan opdrachten waar het gemeentelijk apparaat zijn handen al aan vol heeft zoals Delta, ontmanteling Het Plein, gemeentelijk rol omgevingswet. Dit kan op veel fronten ook nog goed fout gaan. De VVD wil dat de kaders van 29 juni 2015 worden gerespecteerd. Verder wil de VVD dat partners worden betrokken bij innovatie en dat ruimte wordt gemaakt voor het werken met coöperaties. De VVD wil niet meewerken aan het opzetten van een stichting; dat is overbodig met het oog op de werkzekerheid en er is een ander traject mogelijk dat eerder te realiseren is en eerder zekerheid biedt. Omdat je met de huidige aanbieder werkt hoef je geen tijd te steken in het implementeren van een stichting.

GroenLinks: De fractie heeft de werknemerscoöperatie ook als serieuze optie overwogen. Dit stuit echter op de afwezigheid van de intrinsieke motivatie van de huishoudelijke hulpen. Die is niet voldoende aanwezig. GroenLinks wil graag weten of er na het opzetten van een stichting nog ruimte is om een werknemerscoöperatie op te zetten.

Stadspartij: Er moet een besluit komen. Het gaat om zekerheid van cliënten die recht hebben op zorg en arbeidsvoorwaarden. Behoud van een goede relatie tussen hulp en cliënt is van belang. Alle scenario's kennen hierbij risico's, zowel qua implementatie als financieel. Er zijn nu voldoende scenario's uitgewerkt; verdere uitwerking hoeft de keuze niet meer te beïnvloeden.

PvdA: De PvdA is voorstander van het voorstel voor een stichting. Daarmee moet de kwaliteit van de huishoudelijke hulp vooropgesteld worden. Voordelen van deze vorm zijn volgens de PvdA het werken met zelfsturende teams, het herstel van vertrouwen met de klant en meer ruimte voor samenwerking. Ook past dit in het in 2015 vastgestelde kader. Tevens wijst de fractie er op dat inbesteding wel vaker voorkomt, zoals bijvoorbeeld sociale werkvoorziening en schoonmaken op rijksniveau. De fractie erkent dat dit niet altijd een succes is geweest, maar het gaat hier ook om een fundamenteel andere taak. De PvdA roept het bestuur op de raad mee te nemen in het traject, een stappenplan te maken, te werken aan opbouw van expertise en beheersing van de risico's. Graag hoort de fractie ook hoe het college op constructieve wijze het gesprek met de huidige aanbieders aan wil gaan.

Burgerbelang: Burgerbelang vindt dat beter in beeld moet worden gebracht wat de risico's zijn, zodat daar een afgewogen besluit over kan worden genomen. Zonder volledige informatie is het moeilijk kiezen. Het is soms goed om risico's te nemen, maar in dit geval willen we niet dat het mis gaat. In dit geval nemen we huishoudelijke hulpen in dienst, we maken er ambtenaren van. De fractie voelt er weinig voor om aan dit middel vast te zitten. De fractie heeft in ieder geval nog de volgende vragen: kunnen de nadelen van de huidige werkwijze niet op een andere manier worden opgelost? Voor de nu voorgestelde oplossing zijn geen referentiekaders. En wat is er mis mee om dit regionaal op te pakken? 

De voorzitter vraagt of het onderwerp voldoende is behandeld voor behandeling in de raad en of dit vanavond behandeld kan worden of in januari.

De SP is blij dat van iedere fractie een standpunt bekend is. Het kan wat hen betreft vanavond behandeld worden.

De VVD geeft aan dat het voorstel niet vanavond behandeld kan worden. Er moet in ieder geval nog fractieoverleg plaatsvinden en de VVD wil hierbij ook de reactie van het college betrekken. Ook moeten er nog een aantal dingen uitgezocht worden en die ontvangt de fractie graag op schrift.

Het college geeft aan dat het nu niet lukt om op alles te reageren. Het college constateert ook dat een aantal fracties nog twijfelt over het standpunt en behoefte heeft aan nadere informatie. Het college komt met een schriftelijke reactie op de vanavond gestelde vragen, zodat dit betrokken kan worden bij behandeling van het voorstel in de raad in januari. De stukken zullen beschikbaar komen met de raadsstukken voor de komende vergadering.

De voorzitter concludeert dat het voorstel voldoende is besproken en geagendeerd kan worden voor behandeling in de raad op 15 januari.


Advies

Voldoende besproken. Verder debat in de raad


Raad 18 december 2017 (21:30 - 23:00)

Verslag van de vergadering

Zie de bijlage.


Bijlagen:
Handelingen raad 18 december 2017

Besluit

Aangehouden
De behandeling doorgeschoven naar de raadsvergadering van 15 januari 2018.
Geen amendementen ingediend


Forum van 29 januari 2018


Toelichting griffie:

De Raad heeft in 2015 kaders gesteld om de huishoudelijke hulp toekomstbestendig te maken. Om te kunnen bepalen wat voor soort organisatie hiervoor nodig is, zijn drie organisatievormen uitgewerkt. Het college adviseert de Raad om uit deze drie varianten te kiezen voor de Stichting Huishoudelijke Hulp.

Naast de stichting zijn ook business cases uitgewerkt voor een (werknemers)coöperatie en een innovatietraject met bestaande zorgaanbieders. De Raad maakt een keuze voor één van de organisatievormen voor huishoudelijke hulp.

De raad wordt voorgesteld kennis te nemen van de businesscases stichting huishoudelijke hulp, (werknemers)coöperatie en innovatietraject zorgaanbieders, en te kiezen voor de vorming van een Stichting Huishoudelijke Hulp middels quasi-inbesteden, en deze stichting de huishoudelijke hulp in het kader van de Wmo uit te laten voeren. Tevens wordt de raad voorgesteld een bedrag van € 800.000 als implementatiebudget beschikbaar te stellen voor de oprichting van de stichting huishoudelijke hulp en deze ten laste van de reserve sociaal domein te brengen en daartoe de begroting 2018 conform voornoemde te wijzigen.

Het beschikbaar stellen van krediet en hiertoe de begroting overeenkomstig te wijzigen is een bevoegdheid van de raad op grond van artikel 189 en volgende van de Gemeentewet.

Deze vergadering is een voortzetting van de geschorste vergaderingen van 4 december 2017 en 18 december 2017.

Er is nieuwe informatie beschikbaar. Vervallen informatie is doorgestreept, nieuwe informatie is vetgedrukt. Er zijn in plaats van een voorgesteld besluit, vijf varianten beschikbaar. Wanneer duidelijk is uit de Forumbehandeling welke variant men ter besluitvorming aan de raad wil voorleggen, dan wordt het voorstel aangepast in die zin dat alleen de gekozen variant ter besluitvorming wordt voorgelegd. Is niet duidelijk welke variant ter besluitvorming moet worden voorgelegd, dan wordt elke variant afzonderlijk ter besluitvorming voorgelegd totdat duidelijk is voor welke variant een meerderheid is. Let wel, als voor bijvoorbeeld variant 3 een meerderheid is, dan komen variant 4 en variant 5 niet meer in aanmerking voor besluitvorming.


Raadsadviseur: M.J.E. van den Berg-Platzer

Datum: 29-01-2018
Tijd: 19:00 - 20:00
Zaal: Warnsveldzaal
Behandeling: Oordeelsvormend
Openbaarheid: Openbaar
Voorzitter: A.IJ. Pepers
Griffier: J Kerkhof

Aanwezig namensNaam
BurgerbelangM.G.S. Siemes
SPM.J. ten Broeke
D66G.I. Timmer
PvdAM.M.M. Moester
GroenLinksL. Luesink
StadspartijG.J.H. Pelgrim
VVDA. van Dijk
CDAK.M. Warmoltz
ChristenUnieA. Oldenkamp
BewustZWA.W. Jansen
Lijst van VlietF. van Vliet
Fractie Pepers en VerwoortA.IJ. Pepers

Portefeuillehouder(s): P Withagen
Ondersteuners: M Hagen
Pers: ja
Publiek: 50 personen
Insprekers: nee

Verslag van de vergadering

De voorzitter licht toe dat een aangepast voorstel met nieuwe informatie van het college voorligt. Daarin zijn vijf varianten opgenomen. De voorzitter geeft aan dat wanneer uit dit forum een overduidelijke voorkeur voor een variant naar voren komt, hij dit aan de voorzitter van de raad zal doorgeven en dat die variant dan ter besluitvorming in de raad vanavond wordt voorgelegd. Blijkt er geen duidelijke voorkeur, dan zal elke variant afzonderlijk worden voorgelegd.

Het college licht toe dat er gezocht is naar de mogelijkheid om 2 varianten te laten voorleggen die vervolgens verder uitgewerkt worden. Dat blijkt juridisch erg risicovol en daarom heeft het college geconcludeerd om dit niet te doen. Het voorstel is dus om 1 van de varianten of amendementen te kiezen. Het college laat de discussie hierover aan de raad en zal aangeven of een voorstel uitvoerbaar is of niet, zodat er een heldere opdracht komt waar het college mee aan het werk kan. Het college geeft aan dat vanaf 20.30 uur de ambtelijke ondersteuners Melanie Hagen, Madieke de Wit en Ceciel Lurvink beschikbaar zijn voor het beantwoorden van vragen.

De VVD merkt op dat het niet onmogelijk is om twee varianten uit te laten werken.

Het college geeft aan dat dit inderdaad niet onmogelijk is, maar dermate risicovol dat het college dit afraadt.

Het CDA zegt dat er geen antwoord is gekomen op de openstaande vragen uit de vorige forumvergadering.

Het college heeft de vragen bestudeerd en geconcludeerd dat de antwoorden ofwel terug te vinden zijn in de stukken, dan wel zijn deze bij de relevante variant in het stuk verwerkt.

Het CDA vraagt waar de gemeente de expertise vandaan haalt voor een stichting huishoudelijke hulp.

Het college licht toe hiertoe mensen aan te trekken die die expertise hebben, zowel voor het implementeren van een stichting als voor het aansturen daarvan. Dit staat ook in de uitwerking beschreven.

BewustZW merkt op ook graag te hebben gezien waar de antwoorden op de vragen te vinden zijn nu het toegezegde memo niet is gekomen en vraagt hoe is gekeken of Stichting Perspectief hierin meegenomen kan worden.

Het college geeft aan dat Perspectief andere taken uitvoert, namelijk sociaal werk en sociale wijkteams. Dat is een heel andere taak en het college acht het niet verstandig daar huishoudelijke hulp bij onder te brengen. Perspectief denkt er zelf ook zo over.

BewustZW vindt het bijzonder dat dit gezegd wordt. Perspectief zit in de haarvaten van de samenleving en vindt dit een gemiste kans. Dit heeft invloed op de opvatting van BewustZW ten aanzien van de keuzevariant stichting.

SP vindt de tijd van vragen stellen voorbij. Er moet nu een keuze worden gemaakt. Aan de indieners van het amendement waarin een open house model wordt voorgesteld vraagt hij waarom dit een oplossing zou zijn. Dan blijf je hetzelfde doen voor langere tijd.

De VVD bestrijdt dat dit voorstel voortgaan is op dezelfde weg. Er is voorheen steeds gewerkt met verlenging van contracten voor korte tijd. De problemen waren dat er beperkte contracten waren met een te lage financiering, waardoor de continuïteit onder druk komt te staan en werknemers en cliënten werden benadeeld. Met contracten voor een periode van minimaal drie jaar wordt duidelijk voor een andere insteek gekozen.

D66 wijst daarnaast op de AMvB die inmiddels van kracht is en waarin waarborgen voor de salariëring van de medewerkers zijn opgenomen. Wanneer nu voor een stichting op coöperatie wordt gekozen is er de eerste periode van 1 - 1 1/2 jaar ook geen rust. Met het ingediende voorstel kan verder aan een oplossing worden gewerkt vanuit een basis die rust geeft.

De SP vindt het een schaamteloos plan, als dit het resultaat zou zijn. Na 10 jaar marktwerking is 3 jaar geleden gezegd dat het roer om moet. Er wordt nu een jaar over gepraat en de uitkomst zou zijn dat de huidige aanpak niet langer voor 1 jaar maar voor 3 jaar wordt voortgezet.

De VVD zegt dat de SP een verkeerd beeld schetst. De kaderstelling waar eerder over gesproken is was dat er nadere afspraken zouden worden gemaakt. Bovendien gaat het met dit voorstel er niet over dat eventuele pijn kan worden verzacht, maar dat de huishoudelijke hulpen een reële toekomst wordt geschetst.

D66 wijst er op dat de wereld niet zo zwart-wit is als de SP dit neerzet. Er zijn in het verleden slechte beslissingen genomen, waardoor er met te lage tarieven is gewerkt. Daar zijn nu maatregelen op genomen en dat kan nu niet meer. Dat betekent dat de ondernemingsvorm hierop niet van invloed is. Het grootste probleem is dat door kortdurende contracten een organisatie niet kan bouwen. Thuiszorgorganisaties kunnen door langduriger contracten mensen in vaste dienst nemen. Goede aanbieders doen dit.

De SP gelooft daar niet in. Het gaat om bedrijven die met winstoogmerk handelen. De raad heeft uitgesproken de zorg niet op commerciële basis te willen laten uitvoeren. Dat kan niet als je in zee gaat met commerciële partijen. De zorgbedrijven worden uiteindelijk wel betaald uit gemeenschapsgeld.

Volgens Burgerbelang zijn er een aantal doelen die gemeenschappelijk zijn. Alle partijen willen betere omstandigheden, betere lonen en meer continuïteit voor huishoudelijke hulpen. Alleen over het middel zijn we het niet eens. Het idee is nu om de tijd te nemen om voor een langere periode de mogelijkheid te bieden om verbeteringen aan te brengen. Het is wellicht niet zo verstandig om de organisatie van de huishoudelijke hulp bij de gemeente onder te brengen. De SP heeft zich in het verleden diverse malen kritisch uitgelaten over de gemeente.

De SP zegt kritisch te zijn op organisaties die op afstand zijn gezet, omdat de gemeente daar dan geen zeggenschap meer over heeft. En dit is nog veel erger bij commerciële partijen die zich met zorg bezig houden.

Burgerbelang wijst er op dat ook bij een stichting sprake is van afstand.

De ChristenUnie vindt het jammer dat er tegenstellingen worden gecreëerd. We hebben dit voorheen niet goed gedaan en de marktwerking heeft negatieve effecten gehad. Vanavond moet het vooral gaan over een goede timing en fasering. Als de huishoudelijke hulpen nu wordt voorgespiegeld dat er volgend jaar maart een stichting is en dat men dan een vast contract krijgt, gaan we er aan voorbij dat het over een 1/2 jaar nog niet zover is. En als dit vertraging oploopt hebben we ook wat uit te leggen aan de medewerkers. Door nu voor een periode van 3 jaar contracten aan te gaan met aanbieders wordt rust gecreëerd om te bouwen aan een stichting dan wel een coöperatie. Dat vraagt wel om daar nu een keuze in te maken. Op deze manier kan toegewerkt worden naar de gewenste organisatievorm, waarbij er nu zekerheid gecreëerd wordt voor werknemers. Er moet een keuze worden gemaakt en de kosten zijn daarbij minder interessant. Het kost hoe dan ook geld, welke keuze er ook gemaakt wordt.

Volgens de SP blijft dit onderwerp te lang doorgaan, omdat geprobeerd wordt tot een gezamenlijk standpunt te komen. Dat gaat niet lukken. De verschillen tussen de partijen zijn te groot.

De ChristenUnie vindt het jammer dat de SP op een inhoudelijke vraag op waarden niveau met een dergelijke reactie komt. De SP gaat niet in op de gevolgen die hun standpunt heeft voor de huishoudelijke hulpen.

De SP ziet de stichtingsvorm als de enige oplossing en die kan volgens hen heel snel opgericht zijn.

Dat is volgens de ChristenUnie een erg gemakkelijke reactie die geen recht doet aan de risico's die er voor de huishoudelijke hulpen aan vast zitten.

Volgens de SP is voor veel van de huishoudelijke hulpen de schade al opgelopen.

GroenLinks licht het voorstel toe om met een stichting te beginnen en daarmee een basis te leggen om door te groeien naar een werknemerscoöperatie. Een nieuwe aanbesteding is ook niet zomaar geregeld. Met een coöperatie kan volgens GroenLinks nu niet direct begonnen worden, omdat er nog geen stabiele situatie is en de intrinsieke motivatie bij de werknemers nog ontbreekt. Daarom moet de gemeente nu eerst de verantwoordelijkheid nemen. Het voorstel van GroenLinks is om het nu in één keer goed te doen en dan samen met de hulpen te kijken naar de vervolgstappen. De termijn die hiervoor wordt genomen is daarbij variabel.

De voorzitter concludeert dat er geen overduidelijke voorkeur naar voren is gekomen uit deze bespreking. Dat betekent dat verder debat in de raad volgt en daar alle varianten nog op tafel zullen liggen.

 

 

 

 

 


Advies

Voldoende besproken. Verder debat in de raad


Raad 29 januari 2018 (21:30 - 23:00)

Verslag van de vergadering

Zie de bijlage.


Bijlagen:
Handelingen raad 29 januari 2018

Besluit

Aangenomen
De complete besluittekst is vervangen door het aangenomen amendement. Bij de hoofdelijke stemming werden 18 stemmen voor en 10 stemmen tegen het voorstel uitgebracht. Stemverklaringen werden afgelegd door mevr. Bogerd en dhr. Jansen. Er werd een petitie aangeboden aan de voorzitter van de raad.
Amendement(en) aangenomen



Deze pagina

  • a
  • a
  • a
  • tekstgrootte
  • Bezoekadres: 's Gravenhof 2, 7201 DN Zutphen
  • Postadres: Postbus 41, 7200 AA
  • Telefoon: 140575
  • Email: info@zutphen.nl